Voet

schrijft een column gebaseerd op haar ervaringen als huisarts in Nieuw-Zeeland.

‘De hartecho laat een ejectiefractie van 18 procent zien”, vertelt de cardioloog me over de telefoon, „dus zeer ernstig hartfalen”. Snel pak ik een blaadje om zijn instructies op te schrijven.

Als ik meneer B. bel, neemt zijn vrouw op. „Sorry, hij is in de wei”, zegt ze. „Eén van de stieren is losgebroken. Ik vraag wel of hij een afspraak maakt.” Ik hang op en schud mijn hoofd. Het hart van de 72-jaar oude meneer B. werkt maar op een vijfde van de normale kracht, maar hij rent nog vrolijk achter zijn stieren aan. Daarnaast is hij bijna fulltime aan het werk als ‘thuisslager’: hij slacht koeien van hobbyboeren in hun eigen omgeving.

Een week later komt meneer B. eindelijk op consult. Ja, hij is misschien wel wat sneller buiten adem, geeft hij toe. Maar waar hij écht last van heeft, is zijn voet. Zijn zwemmerseczeem is verergerd, en ziet nu ook wat rood. Ik geef hem een antibioticakuur voor zijn wondroos, en schrijf hem de medicijnen voor die de cardioloog aanraadde. Mijn advies om rust te houden met zijn voet omhoog, slaat hij lachend in de wind.

Pas een maand later zie ik hem weer. Als we de medicatie over zijn hartfalen bespreken, wordt hij kwaad. „Het zal allemaal wel met dat hart en die eindeloze lijst medicijnen! Mijn voet: daar word ik pas gek van. Volgens mij rot hij eraf!” Als ik zijn voet zie, schrik ik. De roodheid is uitgebreid. En op zijn voeten voel ik geen pulsaties van zijn hartslag. Ik vertel hem dat hij antibiotica via een infuus nodig heeft, en een onderzoek naar de vaten in zijn benen. Ik bespreek een opname in het ziekenhuis, maar hij weigert stellig. „Wie zorgt er dan voor mijn beesten? Kun je me hier geen infuus geven?” Met een zucht stem ik in. We spreken af dat hij dagelijks naar de praktijk komt voor een dosis antibiotica over het infuus.

Drie dagen later is zijn voet nog niets verbeterd. Ik laat hem opnemen in het ziekenhuis voor onderzoek door de vaatchirurg. Ze belt me diezelfde middag op. „De vaten zitten volledig dicht”, zegt ze. „Helaas zullen we zijn been moeten amputeren.”

Die nacht slaap ik slecht. Ik droom over meneer B, zijn woedende gezicht, de bebloede stomp. Als ik eind die week toevallig langs het ziekenhuis rij, aarzel ik. Het liefste geef ik heel hard gas, maar ik dwing mezelf op de rem te trappen. Ik móet hem zien, ik moet met hem praten. Met bonkend hart sta ik in de lift, slof richting zijn kamer, open de deur en staar naar het witte verband om de stomp. Ik ga naast hem zitten, zoek hakkelend naar woorden. Dan stompt meneer B. plotseling met zijn vuist tegen mijn schouder. „Nou ja, zo’n prothese is in ieder geval praktisch tijdens het slachten. Die kun je tenminste gewoon schoonspuiten.”

    • Anne Hermans