Foto: Anabel Oosteweeghel

‘Naoorlogs Wenen was spannend, de depressieve nazi’s sprongen uit het raam’

Lida Winiewicz

Op haar negentigste komt deze kwart-Joodse Oostenrijkse schrijfster met haar herinneringen aan de jaren dertig en veertig. ‘Naoorlogs Wenen was heel spannend. Overal waren spionnen en depressieve nazi’s sprongen uit de ramen.’

‘Romans heb ik nooit geschreven. Ik heb nu eenmaal geen talent om iets te verzinnen. Ik kan alleen vertellen wat echt is gebeurd. En dan ben ik ook nog ongeduldig. De gedachte alleen al om twee jaar aan een boek te werken staat me tegen.” Lida Winiewicz (Wenen, 1928) lacht om haar eigen woorden, zoals ze kan lachen om alles wat ze in haar lange, veelbewogen leven heeft meegemaakt. Sterker nog, de Oostenrijkse schrijfster, wier jeugdherinneringen De verloren toon (Der verlorene Ton) onlangs in vertaling verschenen, bruist van levenslust, ook al heeft ze tijdens haar bezoek aan Amsterdam voor haar boekpresentatie haar arm gebroken. De komende weken moet ze daarom van de dokter bij haar nicht blijven logeren tot ze weer naar Wenen terug kan.

De verloren toon speelt zich af tussen 1929 en 1947 in Wenen. Het zijn jaren van crisis, armoede en frustratie voor de meeste Oostenrijkers, die na afloop van de Eerste Wereldoorlog het Habsburgse keizerrijk uiteen hebben zien vallen. Na de Anschluss, de annexatie van Oostenrijk door Hitler-Duitsland in 1938, staan de meesten van hen dan ook te juichen. Lida, wier katholieke moeder in 1929 is overleden, wordt nu ineens met haar deels Joodse achtergrond geconfronteerd, iets waar ze zich nooit eerder van bewust is geweest. Vrienden en bekenden wenden zich van haar en haar familie af en hebben het over ‘Jodengebroed’.

Als haar half-Joodse vader met zijn Joodse tweede vrouw Annie naar Parijs vlucht, blijven Lida en haar zes jaar oudere zus Claudia in Wenen bij een tante achter. Later zullen ze hun ouders volgen. Althans, dat wordt hun voorgespiegeld, want achteraf blijkt dit nooit de bedoeling te zijn geweest. Het zal echter hun redding zijn, want vader en moeder Winiewicz worden in Frankrijk gearresteerd, naar Auschwitz gedeporteerd en vergast. Hun dochters overleven de oorlog in Wenen.

Lida Winiewicz vertelt het allemaal op lichte, soms vrolijke toon, alsof ze wil dat je haar ellende niet al te serieus neemt. „Of ik optimitisch ben?” zegt ze aan het einde van het interview in een zangerig Duits. „Ik heb geen andere keus. Moet ik dan soms somber aan tafel zitten?”

Waarom heeft u na al die jaren dit boek eigenlijk geschreven?

„Een eerste versie ervan heb ik laten lezen aan mijn zoon, die wilde weten wat er in mijn leven gebeurd is. Maar hij vond het nergens op slaan, omdat ik niets over mezelf vertelde en alleen de feiten vermeldde. Ik dacht steeds: wie gaat mijn leven wat aan en wie interesseert zich ervoor? Mijn zoon vond toen dat ik het anders moest doen of helemaal niet. Toen heb ik mezelf erin geschreven.”

Lees ook: het veelbewogen verhaal van een Nederlands gezin in het Derde Rijk, dat zich deels door de nazi’s laat verleiden en deels van die nazi’s walgt.Een Hollands gezin in het Derde Rijk

Uw leven was tot 1938 dat van de bevoorrechte klasse. Uw vader was gepromoveerd jurist en werkte bij de Donaustoomvaartmaatschappij, uw moeder was een beroemde pianiste. En toen kwamen de nazi’s…

„… en was ik ineens kwart-Joods en werd ik niet tot het gymnasium toegelaten. Automonteur worden mocht wel. Ik heb achteraf trouwens spijt dat ik die opleiding niet gevolgd heb, want dan had ik later mijn eigen auto’s kunnen repareren. Maar ook al heb ik geen goede opleiding, alles wat ik weet heb ik van thuis meegekregen. Alles wat ik weet, heb ik van mijn vader geleerd.”

Wat was uw vader voor een man?

„Ik heb hem maar tien jaar gekend en toch heeft hij in die korte tijd diepe indruk op me gemaakt. Zo was hij een geboren verhalenverteller. Als hij van kantoor thuiskwam werd er bij ons thuis altijd gelachen en plezier gemaakt. Ook werd er veel gezongen.”

„Na de Anschluss kwam er in één nacht tijd een enorme, onderdrukte Jodenhaat naar boven, die gepaard ging met afgunst.”

Wist u als kind van zijn half-Joodse achtergrond?

„Absoluut niet. Voor de nazi’s aan de macht kwamen, speelde het geen rol van betekenis. En als mensen tegenwoordig over de Holocaust zeggen: ‘We hebben er niets van geweten’, dan klopt dat. Ze hebben het inderdaad niet geweten. Anderzijds, als je bedenkt dat de nazi’s miljoenen mensen omgebracht hebben, dan betekent dat dat ze duizenden handlangers moeten hebben gehad.

„Na de Anschluss kwam er in één nacht tijd een enorme, onderdrukte Jodenhaat naar boven, die gepaard ging met afgunst. Een groot deel van de honderdduizend Joden in Wenen behoorde tot de intellectuele en financiële bovenlaag. Dankzij hun verdrijving konden veel niet-Joden zich ineens schaamteloos verrijken. Honderden Joodse huizen werden ontruimd, de meubels van de bewoners op straat gezet. De arische bevolking werd door de nazi’s tot heer en meester gemaakt. Met de Joden konden ze in het vervolg doen wat ze wilden, omdat die zogenaamd schuld hadden aan hun ellende.”

Lida Winiewicz, 2018. Foto: Anabel Oosteweeghel

Wat merkte u van die omslag op school?

„De ene dag werd ik door een leraar nog fijngevoelig behandeld, maar de dag daarop begon hij me te discrimineren. Ik was de lieveling van de rector, totdat hij ontdekte dat ik kwart-Joods was. Ik mocht ook niet meer meedoen aan een zangoptreden.

„Vergeet niet dat er toen een grote werkloosheid was. Ergens begrijp ik die haat daardoor wel: de Joden waren rijk, de niet-Joden arm en dankzij Hitler werd dat ineens omgedraaid.”

Uw boek heeft een heel muzikale toon. Hoe komt dat?

„Dat is te danken aan mijn moeder, die pianiste was. Tijdens haar zwangerschap speelde ze elke dag piano - Schubert en Beethoven. Zoiets moet wel invloed hebben gehad op het kind in haar buik. En mijn vader had een prachtige stem. Samen hebben ze mooie muziek gemaakt.

„Mijn ouders hadden een gelukkig huwelijk. Dat kan ik niet zeggen van mijn vaders tweede huwelijk met Annie. Met haar trouwde hij alleen omdat hij vond dat zijn twee dochters orde en regelmaat nodig hadden. Annie was hem echter dankbaar dat hij na 1938 bij haar bleef en met haar naar Frankrijk was gevlucht. Mijn vader bleef haar trouw, omdat hij een man van eer en fatsoen was.”

Hadden ze het kunnen overleven?

„Als mijn zuster en ik bij hen in Frankrijk waren geweest, dan hadden we hun arrestatie kunnen voorkomen. Dan hadden we bijvoorbeeld in de openlucht geslapen en waren ze niet in kleine gemeenschappen ondergebracht, waar ze makkelijk opgepakt konden worden. Maar ze waren veel te burgerlijk om de regels te doorbreken.”

„Wenen was in die naoorlogse jaren heel spannend. Het wemelde er van de spionnen.”

Hoe was voor u en uw zuster het dagelijkse leven tijdens de oorlog?

„Wat me vooral fascineerde was dat het normale leven gewoon doorging, al waren we altijd bang en kwamen er voortdurend berichten over gesneuvelde kennissen. Eerst werden er lijsten met namen van slachtoffers gepubliceerd, maar toen het er te veel werden, zijn de autoriteiten daarmee gestopt.

„Maar we maakten ook pret. Op school zaten we met vier Joodse Mischlinge in de klas. Ik wilde dat we de besten waren, om de leraren te sarren. Maar het lukte me niet de andere drie te mobiliseren, dus moest ik het alleen doen.

„Af en toe moesten we de schuilkelder in. Maar op andere dagen gingen we gewoon naar de opera of het theater. En omdat we kwart-Joden waren hoefden we geen ster te dragen en konden we daar gewoon naar binnen.

„De opera speelde bijna tot aan het einde van de oorlog door, met als intermezzo de inname van de stad door de Russen. Maar onmiddellijk na de bevrijding gingen de deuren weer open. En altijd werd Beethovens Fidelio opgevoerd. Later heb ik een toneelstuk willen schrijven over die opera. Het publiek verandert in dat stuk van Oostenrijkers in nazi’s en daarna in Russen. En telkens beweert een moordenaar uit welk kamp dan ook dat deze opera zijn hoogmorele opvattingen vertegenwoordigt.”

Hoe zag Wenen er in de eerste jaren na 1945 uit?

„Als in de film The Third Man. Iedereen zweeg over de oorlog en er waren ineens geen nazi’s meer. Lange tijd probeerde Oostenrijk zelfs te doen alsof het het eerste slachtoffer van de nazi’s was. Het staatsverdrag van 1955 (waarmee Oostenrijk zijn onafhankelijkheid terugkreeg, red.) kwam er alleen doordat de bondskanselier met de Russische onderhandelaars had gezopen.

„Wenen was in die naoorlogse jaren heel spannend. Het wemelde er van de spionnen. En dan waren er nog de vele depressieve nazi’s, die uit het raam sprongen nadat ze hadden vernomen wat Hitler allemaal voor misdaden had gepleegd. Tegenwoordig blijkt uit historisch onderzoek dat velen dat echt niet wisten. Je hebt kennelijk jaren nodig om te kunnen vertellen hoe het in die dagen echt was.”

Lees ook: Naoorlogs antisemitisme verklaard

Hoe is die ontwikkeling bij u zelf verlopen?

„Zo’n dertig jaar geleden bezocht ik in Miami een tentoonstelling over de tweede generatie oorlogsslachtoffers. Ik besefte toen dat ik me nog nooit had afgevraagd wat er met mijn vader was gebeurd en of ik daardoor beschadigd was. Ik ben toen naar een psychiater gegaan, maar daar had ik niets mee op. Als ik in mijn jonge jaren zo iemand had bezocht, dan had dat me waarschijnlijk veel tijd bespaard bij het beantwoorden van die vraag. Mijn vierde psychiater adviseerde me een afscheidsbrief aan mijn vader te schrijven. Dat heb ik gedaan en dat was goed.”

Zou uw leven anders zijn verlopen als u eerder tot dat bewustzijn was gekomen?

„Dat weet ik niet. Ik kon in Wenen goed leven van het schrijven van televisie-scenario’s, al telde ik in die kringen niet mee. Maar dat kan me op mijn negentigste niets meer schelen.”

Verklaart die onverschilligheid de opgeluchte toon van uw boek?

„Ik vertelde al dat we altijd veel hebben gelachen. Humor was voor ons heel belangrijk. Als er iets ergs gebeurt, valt me tegelijkertijd het komische ervan op. Het is de ironie van het noodlot.”

    • Michel Krielaars