Opinie

    • Maarten Schinkel

In de schuilkelder van de volgende crisis

De markt zal wel weer gelijk hebben, maar toch. Dinsdag leende Financiën-minister Wopke Hoekstra 2,2 miljard euro van beleggers, die voor de eerstvolgende tien jaar genoegen namen met 0,47 procent rente. Die zeer lage rente is er nu al zo lang dat hij normaal begint aan te voelen. Maar het kan geen kwaad om er af en toe bij stil te staan.

Even samengevat: de economie groeit dit jaar volgens het Centraal Planbureau (CPB) met 2,9 procent en in 2019 met 2,7 procent. De inflatie bedraagt dit jaar gemiddeld 1,5 procent en loopt in 2019 volgens het CPB op naar 2,3 procent. De werkloosheid daalt volgend jaar naar nog maar 3,4 procent. De contractlonen gaan dan met 3,1 procent omhoog en de loonvoet bij bedrijven stijgt met 4 procent.

En daar hoort dan op dit moment een tienjaarsrente bij van 0,47 procent? Bij de inflatie over juni van 1,7 procent betekent het dat we op dit moment een reële lange-termijnrente hebben van minus 1,2 procent. Vóór de Lehmancrisis was de reële rente sinds 1999 gemiddeld plus 2,2 procent. Dat zou betekenen dat in ‘normale’ tijden we nu een rente zouden hebben van bijna 4 procent (u hoort de pensioenfondsbestuurders de champagne ontkurken) en een hypotheekrente van, zeg een procent of 4,5.

Er zit een gat van 3 procentpunt tussen wat de hypotheekrente daadwerkelijk is, en wat hij pre-Lehman zou zijn geweest. Wie zich afvraagt waarom ABN Amro denkt dat de huizenprijzen, die inmiddels het record van 2008 hebben gebroken, dit jaar met nog eens 8,5 procent stijgen, heeft hier een deel van het antwoord. Lenen is waanzinnig goedkoop geworden, en gebleven. En toen de economie eenmaal weer op stoom raakte, vertaalde zich dat meteen in de woningprijzen.

Maar waarom is die tienjaarsrente, waar we mee begonnen, zo laag? Dat is zo’n beetje de Steen der Wijzen du jour op de financiële markten. Theorieën zat.

Allereerst krimpt het aanbod. Nederland lost, bij een begrotingsoverschot van 0,6 procent dit jaar en 0,9 procent in 2019, netto staatsschuld af. Het aanbod van staatsleningen krimpt dus. Dat geldt nog sterker voor grote broer Duitsland.

Tegenover dat krimpende aanbod staat een flinke vraag. Het opkoopbeleid van de ECB, dat vanaf september zal worden afgebouwd, is één van de redenen waarom de koersen van Nederlandse staatsleningen zo hoog zijn. De rente is het spiegelbeeld van de obligatiekoersen, en staat dus laag.

En dan is er nog het safe-haven-effect: de nieuwe, dwarse, regering van Italië heeft gezorgd voor een vlucht van zuidelijke landen, met name Italië, naar noordelijke landen in de eurozone. Kijk naar de balansen in het Target-2-systeem van de ECB. Daar is de Duitse vordering nu hoger dan tijdens de ergste dagen van de eurocrisis. De Italiaanse en Spaanse tekorten die er tegenover staan zijn dat ook. Daar zijn technische verklaringen voor, maar het neemt niet weg dat er kennelijk ook iets in de lucht hangt.

Handelsoorlogen, NAVO- of eurofragmentatie, twijfel over de conjunctuur: er slaat veel spanning neer in de koersen van Duitse, en dus ook Nederlandse staatsleningen. Dat de aandelenmarkten het, ondanks alles, nog redelijk goed doen, heeft veel te maken met het feit dat er met het alternatief, het vangen van rente, weinig te verdienen valt.

De mondiale spaarvloed moet ergens naar toe. Niet om nu meteen van een financiële Dag des Oordeels te spreken, maar er komt een tijd dat alle overtollige besparingen en vorderingen, en alle overtollige schulden en tekorten deels tegen elkaar wegvallen. Hopelijk op een vriendelijke, geleidelijke manier. Zie Nederlandse, en Duitse, staatsleningen als een schuilkelder.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.
    • Maarten Schinkel