Als pelgrim naar de Iraakse stad Najaf? ‘Ik zei meteen ja’

Oud-diplomaat Robbert van Lanschot (69) liep in 2016 mee met een shi’itische pelgrimstocht door Irak.

Robbert van Lanschot: „De mooiste herinneringen bewaar ik aan de vrijgevigheid van de mensen.”

‘Het was een klein reisbureautje in de Haagse Schilderswijk en het heette Air Bagdad. Ik fietste er langs en dacht: dit is mijn kans. In 2004 was ik in Irak geweest als politiek adviseur voor de Nederlandse missie daar. Dat land maakte toen veel indruk op me.

Terug in Nederland groeide het verlangen om terug te keren. Daar liep ik jaren mee rond, totdat ik dat reisbureautje zag. De eigenaar, genaamd Mohammed, zei eerst: vergeet het maar, het is te moeilijk om een visum te krijgen. Maar opeens lichtte zijn gezicht op en zei hij: je zou als pelgrim naar de Iraakse stad Najaf kunnen gaan. In Najaf begint elk jaar de Arbaeen, een pelgrimstocht waarbij vier dagen lang ongeveer 15 miljoen pelgrims naar Karbala lopen, naar het graf van imam Hussein, de kleinzoon van de profeet.

Ik zei meteen ja. Ik wilde niet alleen naar Najaf, maar ik wilde ook meelopen met die pelgrimstocht. Puur uit nieuwsgierigheid, maar ook omdat ik besefte dat zo’n tocht me volledig uit mijn comfortzone zou halen. Want word je wel geaccepteerd? Ze zien natuurlijk meteen dat je een vreemde eend in de bijt bent. Mohammed zei: je hoeft geen geld mee te nemen want je wordt verzorgd door de lokale bevolking. Ik dacht: kan dat wel? Die mensen komen net uit een oorlog, die kunnen toch niet 15 miljoen pelgrims verzorgen?

Op reis met een koran en een tandenborstel

Ik vloog naar Najaf met een groep Nederlandse moslims die mij onder hun hoede namen en die hadden inderdaad alleen een koran en een tandenborstel bij zich. Toen ik aan de tocht begon, zag ik dat Mohammed de waarheid had gesproken. Langs de weg was een onafgebroken sliert van gaarkeukens, tentenkampen en bergen dekens waarvan je er gewoon een af mocht nemen om onder te slapen. Je kreeg snoep toegestopt, mensen wilden je sandalen poetsen, kinderen stonden klaar om je handen met rozenwater te besprenkelen. Mensen wilden zelfs je benen masseren. Dat is enerzijds enorme gastvrijheid, anderzijds scoren ze ook punten in de hemel door pelgrims te helpen.

Lees ook: Wie gaat er nog op de bonnefooi op vakantie?

Tijdens die tocht voelde ik mij intens gelukkig. Ik werd ondergedompeld in een warm bad van hartelijkheid. Voor zover ik kon zien, was ik de enige man met een christelijke achtergrond en iedereen was dolenthousiast over mijn aanwezigheid. Iedereen wilde een selfie met mij maken.

Fysiek was de tocht zwaar en dat kwam vooral door het stof. De route loopt langs de rand van de Eufraatvallei en aan je linkerhand begint de woestijn. Als je daar met miljoenen mensen doorheen loopt, wandel je continu in een enorme stofwolk.

De aankomst was grandioos. Rond het mausoleum van Hussein bevond zich een enorme mensenmassa. Dat was schitterend om te zien. Het verbluffende aan de Arbaeen is ook dat er geen organisatie achter zit: iedereen doet maar wat. Op de een of andere wonderbaarlijke manier werkt dat. Altijd vind je ’s avonds dekens om onder te slapen. Altijd staan er mensen met eten langs de weg. Sommigen duwen hun soeplepel zelfs in je mond. Er is ook geen beveiliging. Bij Karbala is één punt waar je door een metaaldetector moet. Maar iedereen mocht zijn rugzak om houden en niemand werd gefouilleerd, terwijl je toch een doelwit voor extremisten vormt. Toen ik meeliep, is ook een bus met pelgrims opgeblazen bij een benzinestation. Dat risico is er gewoon.

Vrijgevigheid

Na afloop ben ik naar As-Samawah gereisd, waar ik indertijd als politiek adviseur zat. Ik had toen altijd beveiligers om me heen, dus ik kon nooit zeggen: dat steegje ziet er leuk uit, daar wil ik even kijken. Nu kon ik voor het eerst gaan en staan waar ik wilde. Ik heb dagen rondgedoold door die stad en daar heb ik echt van genoten.

Maar mijn mooiste herinneringen bewaar ik aan de vrijgevigheid van de mensen tijdens de tocht. Dat ontroerde mij. De inwoners van dat gebied zijn arm en toch slagen ze erin om vier dagen lang miljoenen mensen gastvrijheid te bieden. Dat maakt de Arbaeen tot iets heel anders dan de hadj in Mekka. Dat is ook een religieus gebeuren, maar het is tevens een businessmodel. Er worden miljarden aan de hadj verdiend. De Arbaeen kost de inwoners van Irak alleen maar geld, maar toch gebeurt het. Ik vind dat verbazingwekkend.”

In deze zomerserie vertellen mensen over hun ‘moderne bedevaart’.
    • Renate van der Zee