Opinie

    • Jannetje Koelewijn

Over de droogte en oude landschappen

Auke van der Woud gaat in gedachten terug naar zijn jeugd, jaren vijftig, midden in Sneek. ’s Avonds in bed, boven de schoenenwinkel van zijn vader, hoorde hij koeien en kikkers. „Zo klein was de stad nog, zo dichtbij het platteland.” De velden stonden in de winter en het vroege voorjaar altijd onder water en werden, als ze droog lagen, doorsneden door talloze sloten. Ontwatering en grootschalige ruilverkaveling moesten nog beginnen.

Van der Woud is emeritus hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en bekend van zijn boeken over landschappen en steden in de negentiende eeuw. Het lege land. Koninkrijk vol sloppen. Ik dacht aan hem door die luchtfoto gisteren in de krant van de grotendeels verdorde maïsvelden van boer Twan van der Heijden. Je kon erop zien hoe zijn land veranderd was. Waar de maïs nog min of meer groen was, daar hadden veertig jaar geleden sloten gelegen. „Mijn oma”, zei de boer, 34 jaar, „kende de kleine perceeltjes nog.” Op de sociale media verwezen mensen elkaar naar luchtfoto’s uit Engeland waarop door de droogte de contouren van verdwenen schuurtjes, nederzettingen en negentiende-eeuwse siertuinen zichtbaar zijn geworden.

In zijn boek De nieuwe mens, uit 2016, beschrijft Auke van der Woud de ‘Chromo-Topographische Kaart’ waarop het Nederlandse landschap rond 1900 is getekend. Er is vrijwel niets meer van over. Walcheren: duizenden akkers en weilandjes, vaak met heggen als afrastering. Zuid-Limburg: talloze appelboomgaarden. De Achterhoek: smalle, met houtwallen omgeven ontginningskavels. Drenthe: heide en onafzienbare zandverstuivingen, bezaaid met stenen uit de laatste IJstijd. Nederland was parkachtig mooi, schrijft Auke van der Woud, en verrassend als een Engelse landschapstuin. De randen van graanvelden waren bloemenzeeën.

Nee, hij verlangt niet terug naar het verleden. Hij kijkt naar die oude kaarten zoals je naar een schilderij kijkt of naar muziek luistert: om de schoonheidservaring. Bij het Nederlandse landschap nu heeft hij dat zelden meer. „Saai en eentonig.” En de luchtfoto in de krant? Alsof je op de scan van een schilderij opeens een schilderij eronder ziet. Hij weet er even geen ander woord voor dan ‘fascinerend’. „Wat mensen ook hadden toen er op luchtfoto’s van het Amazonegebied een Incastad was ontdekt. Dat kon je zien aan de kleur van de bomen.”

Er is, zeg ik, sinds 1900 wel veel meer bos in Nederland bij gekomen. „Stedelingen waarderen dat zeer”, zegt hij. „Ze lopen er ook graag in, af en toe. Ik was eens op een bijeenkomst over de toekomst van Drenthe, iedereen wilde vijf procent meer bos. Ik zei: waarom niet vijf procent kappen? Lege landschappen, zoals in de negentiende eeuw, daar hebben we zo weinig van. Bos is ook goed, hoor. Zuurstof, vogels. Maar” – hij lacht – „ik haat bos. Saai en eentonig.”

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) schrijft op deze plek voorlopig een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.
    • Jannetje Koelewijn