Opinie

    • Joyce Roodnat

‘I need a mán!’ ‘You just hád one!’

Joyce Roodnat

Een naaktperformance van Dave St-Pierre ziet Joyce Roodnat lelijk mislukken. Een goede theatermaker wrijft onverbiddellijk zijn werkelijkheid in. Daar is St-Pierre te morsig voor.

Sarah Sluimer, auteur van ‘Keizer’. Foto Jan Willem Kaldenbach

Dave St-Pierre hopst over het podium, slechts gekleed in zo’n grote plastic kledingzak. Eerst zat hij in de zaal, op rij vijf. Net als ik, zijn piemel passeerde op ooghoogte. Geen nieuws, ik zag ’m al eens, ook in het Juli-Dansfestival. Toen was St-Pierre met zijn groep en was de inzet heftig. Dit keer is hij solo en doet hij lollig.

Rits open, rits dicht, veel kan zo’n kledingzak niet. O, hij laat ’m zakken. Nu is hij een bloot mannetje tout court en imiteert hij Marina Abramovic en haar beroemde performance ‘The artist is present’. Beetje makkelijk: twee stoelen tegenover elkaar, een enorme roze opblaaslul bungelt ertussen. St-Pierre daagt een jonge vrouw met stekeltjeshaar uit om tegenover hem te komen zitten. Dat doet ze. Leuk type. Te leuk, St-Pierre kan niks met haar, hij stuurt haar weg. Ongeïntimideerd kuiert ze terug naar haar plek. Hij roept: „I need a mán!” Zij antwoordt uit de zaal: „You just hád one!” Waarop hij in verwarring zwijgt, wat zij weer aangrijpt met een welgemikt: „Just kidding!” – en ook daar heeft hij niet van terug. Hier faalt Dave St-Pierre, als provocateur, als performer, maar vooral als regisseur. Want een goede theatermaker wrijft ons onverbiddellijk zijn werkelijkheid in. Daar is St-Pierre te morsig voor.

Ik zit te denken over wat een regisseur doet, doordat ik Keizer lees, de nieuwe roman van Sarah Sluimer. Mooi boek over een gevierde toneelmaker. Briljant. Een ziekelijke egotripper, een tragische hufterheld. In zijn megalomanie vindt hij de werkelijkheid „slecht gespeeld, technisch zeer onvolmaakt” en gaat aan de slag, met desastreuze gevolgen. Want hij is geen god. Hij is een vallende engel en via zijn verhaal identificeert Sluimer theaterregie als perverterend genot.

Ik bel de schrijfster even op. Toen ze theaterwetenschap studeerde, vertelt ze, heeft ze zelf geregisseerd. „Dat vond ik maniakaal leuk, ik klapte bijna uit elkaar van plezier. Je werkt met het materiaal en de lichamen van anderen en alles valt onder jouw controle. Het is een sadistisch genoegen, maar óók liefdevol.” Haar hoofdpersoon is theatermaker „om niet echt te hoeven leven en tegelijk meer te kunnen leven dan de rest van de mensheid”, stelt Sluimer. Bovendien, zegt ze: „Theatermaken heeft iets kinderlijks, met een benijdenswaardige lust tot vernietiging.”

Verhalen over culturele geweldenaars eindigen doorgaans in dood en vernietiging. Dat was ook Sluimers opzet. Maar: „Ik werd moeder en dat relativeerde alles. Ik verliet het idee van de totalitaire kunstenaar. Mijn theatermaker wordt weer mens. Hij is niet meer goddelijk en eindigt in mildheid.” Klopt. Hij stijgt boven zichzelf uit en is eindelijk een waarlijk groot kunstenaar.

    • Joyce Roodnat