Opinie

Versterk de grote musea, subsidie per ticket graag

Relatief gezien ontvangen kleine, regionale musea evenveel als het Van Gogh en het Rijks, ziet . Dat is sympathiek, maar onverstandig. “Investeer liever in de paar beeldbepalers die reeds internationaal succes hebben. Onderhoud én versterk hun collectie.”

Van Gogh Museum in Amsterdam. Foto Getty Images

Op het eerste gezicht ziet de toekomst voor Nederlandse musea er rooskleurig uit. Met zo’n 700 musea kennen we een hoge dichtheid en goede spreiding. Rijksmuseum en Mauritshuis genieten internationale faam. De bezoeken aan alle musea tezamen groeien almaar: de afgelopen twintig jaar van 15 naar 35 miljoen. Nederlanders behoren met de Zweden en Denen tot ’s werelds meest fanatieke bezoekers.

De groei komt overigens vooral van een handvol grotere musea: Rijks, Van Gogh, Anne Frank Huis, Stedelijk, Zaanse Schans, NEMO, Mauritshuis, Openluchtmuseum en Haags Gemeentemuseum. De hoge kwaliteit en Amsterdam als hotspot maken Nederland populair. Deze musea zijn beeldbepalend en dragen zo bij aan de identiteit van ons land. En toch sloot bijna de helft van de grotere musea afgelopen jaar met verlies af – tezamen drie miljoen euro onder de streep. Noodzakelijke investeringen blijven hierdoor uit. De oorzaak: terwijl bezoek én kosten stijgen, blijft de totale overheidsbijdrage sinds 2000 ongeveer gelijk. Per saldo is de rijksbijdrage per bezoeker gehalveerd. Voor de grote gemiddeld nog maar vier euro per bezoeker tegen tien euro in 2000.

Een museum kan haar budget vergroten door sponsoring of mecenaat. Die markt is in ons land met 11 procent echter van beperkte betekenis. Wie meer inkomsten wil, moet meer publiek aantrekken, dat geld uitgeeft aan tickets, horeca en prullaria. De ticketprijzen liggen bij de grote musea al op hetzelfde niveau als The Metropolitan, Moma, Tate en Victoria & Albert – zo’n 20 euro. Al met al stijgt weliswaar het totaalbudget, maar ook de kosten. Relatief neemt het aandeel subsidie sterk af. Zie hier in een notendop het dilemma. „Hoe goed musea ook presteren, ze roeien tegen de stroom van hogere kosten in”, zoals de Raad voor Cultuur zegt.

Voor een museum geldt: hoe succesvoller en internationaler, hoe hoger de kosten. Maar bij het vaststellen van subsidie wordt daar nauwelijks rekening mee gehouden

Waarom is de daling van het aandeel subsidie eigenlijk een probleem? Door schaalvergroting ontstaat toch efficiëntiewinst, meer waar voor minder geld? Dat is slechts ten dele het geval. Van een serieus museum wordt meer verwacht dan het organiseren van tentoonstellingen en blockbusters. Behoud van collectie, restauratie, wetenschap en educatie zijn evenzeer opdrachten. Zo ook het uitbreiden van de collectie – en dat in een markt waar de prijzen voor topkunst flink stijgen. De gemiddelde aankoopprijs van beeldende kunst in het hogere segment steeg de afgelopen jaren met gemiddeld 10 procent per jaar. De uitzonderlijke aankoop van Mondriaans Victory Boogie Woogie, indertijd 100 miljoen gulden, was nog een koopje.

Lees ook: De verderfelijke invloed van geld op het museum

Voor een museum geldt: hoe succesvoller en internationaler, hoe hoger de kosten. Maar bij het vaststellen van subsidie wordt daar nauwelijks rekening mee gehouden. De overheid gaat uit van collectiebeheer op basaal niveau. Zo worden de collecties van Huis Doorn in feite gelijkgesteld aan die van Paleis Het Loo. En de collectie van Rijksmuseum Twente aan die van Rijksmuseum Amsterdam. Een verdeling die gunstig uitpakt voor regionale musea, maar amper oog heeft voor succes en ambitie. Laat staan voor de internationale concurrentiestrijd waar de grote succesvolle musea in verkeren bij aankopen en tentoonstellingen. Alternatief is dat de overheid uitgaat van een bedrag per bezoeker, zoals gebruikelijk in het onderwijs.

Een derde van onze museumbezoekers komt uit het buitenland. Bij het Rijks bijna tweederde, bij Van Gogh meer dan 85 procent. Zonder deze instroom zouden zij niet op het huidige niveau kunnen opereren. Deze musea zijn een serieus export-product geworden. Maar waarom zou de Nederlandse belastingplichtige moeten betalen voor een museum dat vooral buitenlands publiek trekt? Is het dan niet rechtvaardiger om ook de toerist te belasten, bijvoorbeeld met een cultuurtaks van 1 euro per nacht. Dat zou Amsterdam jaarlijks 15 miljoen opleveren, bovenop de reguliere toeristenbelasting.

Wie om subsidie vraagt, mag best nadenken over rendement: wat levert het de maatschappij op?

Het is niet populair om over de concurrentiepositie van musea te praten. Een museum is immers geen bedrijf. Maar wie om subsidie vraagt, mag best nadenken over rendement: wat levert het de maatschappij op? Ons land heeft zich ontwikkeld tot serieuze concurrent van traditionele ‘museumsteden’ als Parijs, Londen en New York. Willen wij deze positie behouden en versterken? Het rendement van een subsidie zie je misschien nooit terug in de boekhouding van het museum. Maar onderzoek leert wel hoezeer de welvaart van steden afhankelijk is van culturele voorzieningen. Zo maakte de Spaanse stad Bilbao in de jaren zeventig een diepe crisis door. Jaren later werd Bilbao opeens booming. Oorzaak: het Guggenheim Museum, ontworpen door Frank Gehry.

Stedelijke welvaart komt met hoogwaardige vrijetijdsbesteding en goed onderwijs. Toen Philips vertrok uit Eindhoven, raakte het niet in mineur. De stad herstelde zich dankzij een samenspel van universiteit, bedrijfsleven en de designsector in het bijzonder – Nederlandse exportproduct pur sang. De regering heeft er dus alle belang bij de grote musea in ons land ook als serieus exportproduct te behandelen.

Dat vraagt om een overheid die de huidige subsidieverdeling loslaat en zich richt op musea die internationaal reeds hoge ogen gooien. Niet alleen omdat succes beloond mag worden, maar ook als bestendige investering in Nederland als cultuuroord.