Van stotteraar naar stadsdichter: ‘Het stotteren heeft me gedwongen om synoniemen te zoeken’

Derek Otte (30) was een stotteraar, nu is hij spoken word-artiest en stadsdichter van Rotterdam. „Zinnen zijn als routes die je moet afleggen. In mijn taalgebruik moest ik snel leren omlopen.”

‘Ik bieb, ik dicht’, staat op een opvallend helderblauwe poster bij de ingang van de centrale bibliotheek in Rotterdam. Derek Otte prijkt op de poster, met volle baard en hoodie. ‘Meerdere wegen leiden naar dromen’, staat boven de entreehal van de bibliotheek. Was getekend Derek Otte.

Wie hem hoort praten of ziet optreden kan zich nauwelijks voorstellen dat Derek Otte (30) ooit een stotteraar was. „Ik kon niet eens mezelf voorstellen bij een meisje als ik uitging. ‘Hoi, ik ben Derek’ lukte al niet, laat staan een conversatie beginnen.” Nu treedt hij als spoken word-artiest op voor volle zalen in Nederland en Vlaanderen, om verhalen te vertellen, evenementen af te sluiten (‘wrap ups’) en workshops te geven. Vorig jaar werd hij benoemd tot stadsdichter van Rotterdam. Sindsdien werkt hij nauw samen met de bibliotheek.

Otte, geboren in Rotterdam, kwam op jonge leeftijd in aanraking met poëzie. „Ik trok veel op met mijn opa, de vader van mijn moeder. Bij hem thuis in de gang hingen tegelwijsheden, van Nicolaas Beets, Toon Hermans, maar ook spreuken van onbekende auteurs. Eén daarvan was: ‘Leer van het visje onder water, spartel rond, maar houd je snater.’ Het was de eerste keer dat taal mij greep.”

ik schreef nooit op de lijntjes

alsof ik ergens wist als kind

dat wat echt telt in ’t leven

tussen de regels door begint

Otte begon al jong met schrijven en tekenen, in de kantlijnen van zijn schoolschriftjes. „Al sinds ik me kan herinneren.” Vooral schrijven was voor hem niet alleen een hobby maar ook een noodzaak. Vanaf groep 3 begon hij namelijk te stotteren. „Vooral woorden die begonnen met de B, T, D en K. Lastig als je Derek heet, die stotter heb ik nog steeds vaak”, vertelt hij. Hij kreeg logopedie op de basisschool maar dat hielp alleen tijdens de logopedie-les. Daarna kwam het telkens weer terug. „Ik heb nooit een directe oorzaak kunnen aanwijzen. Ik merk alleen dat het weer erger wordt als ik een stressweek heb.”

Omlopen

Ondanks zijn verbale handicap werd zijn liefde voor taal alleen maar sterker. „Het stotteren heeft me gedwongen om andere zinsconstructies en synoniemen te zoeken, woordenboeken te lezen, waardoor ik mijn vocabulaire kon vergroten. Het was een soort stratenboek dat ik uit mijn hoofd leerde. Zinnen zijn als routes die je moet afleggen, en in mijn taalgebruik moest ik snel leren omlopen.”

De basis voor zijn belangstelling voor spelen met taal werd ook gelegd door zijn vader, die hem boeken gaf. Maar de laatste zet kwam door zijn neef. „In groep 8 kreeg ik van hem een cassettebandje met het album Still I Rise van rapper Tupac en vervolgens ook bandjes van B.I.G. en andere Amerikaanse hiphop-artiesten uit de jaren negentig. Met die cassettebandjes was ik continu bezig: luisteren, stopzetten, overschrijven, vertalen. Zo ben ik rijmschema’s gaan ontdekken en gebruiken.”

„Wat voor werk doe je?”

„Ik dicht.”

„Ah tof! En wat doe je voor werk?”

Passie voor schrijven en dichten was één ding, maar schrijven als toekomstperspectief, daar werd thuis toch anders over gedacht. „Je gaat naar school om een beroep te leren. Schrijven, dat was natuurlijk geen ‘echt’ beroep. Althans, dat vonden mijn ouders.” Hij ging uiteindelijk rechten studeren, nadat hij de film A Time to Kill had gezien, met Samuel L. Jackson. „Dat was serieus de reden waarom ik de studie koos. Ik heb weliswaar nog mijn propedeuse gehaald, maar ik vond die universiteitscultuur vreselijk. Het paste gewoon niet bij mij.”

Hij besloot te stoppen met zijn studie en zich te richten op zijn blog, waar hij met teksten aan de slag ging. Aan korte spreuken hing hij achtergrondverhalen over wat hij zag, hoorde en zelf meemaakte. Via sociale media viel hij op en werd hij benaderd door een organisatie in Den Haag voor een optreden. „Ik wilde spoken word-artiest worden, maar mijn gestotter hield het tegen. Maar het bleef natuurlijk raar, spoken word op papier. Dus besloot ik wel in te gaan op de uitnodiging.

Waarom zouden we eigenlijk poëzie lezen? Dichter Ingmar Heytze legt het uit

„Tweehonderd man in de zaal, ik vond het doodeng. Onderweg erheen kotste ik van de zenuwen. Maar: ik sprak, zonder te stotteren!” Hij had zijn angst overwonnen. Een mentaliteitskwestie, noemt hij het. „Ik ben nog steeds niet van mijn gestotter af, maar kan het heel goed camoufleren door snel te denken in mijn taalgebruik. En positieve spreekervaringen zoals bij dat eerste optreden helpen natuurlijk erg.” Meerdere optredens volgden en hij brak definitief door toen hij werd opgepikt door radiozender FunX. Daar mocht hij eerst wekelijks en vervolgens dagelijks een column voordragen, vaak een kritische reflectie op de waan van de dag. Met zijn scherpzinnige en originele teksten werd hij bij een steeds groter publiek bekend.

De verbale obstakels door het stotteren, de latere keuze voor spoken word als kunstvorm, wat niet door iedereen als serieuze poëzie wordt beschouwd, hebben geleid tot een sterk rechtvaardigheidsgevoel. „Door het stotteren weet ik hoe het is om een stem te hebben maar ’m niet te kunnen gebruiken of niet gehoord te worden. Dus ik heb altijd een zwak voor de underdog.” Armoede en achterstand zijn daarom terugkerende thema’s in het werk van de stadsdichter. Met de achterstandswijken van Rotterdam als inspiratiebron is de multiculturele havenstad een geliefd onderwerp, juist omdat allerlei moeilijke maatschappelijke kwesties daar samenvallen. „Je zou sommige wijken kansarm kunnen noemen, en arm en ruig is het er zeker. Maar de mensen die ik ken, of ze nou Marokkaanse, Turkse, Surinaamse of Antilliaanse roots hebben, hebben mij geleerd de ander op de eerste plaats als mens te zien.”

010: Thuis is waar het hard is

De toenemende polarisatie in ‘zijn’ stad baart Otte daarom zorgen. Bij het lijsttrekkersdebat in het stadhuis vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen manifesteerde hij zich als het geweten van Rotterdam, door ter plekke een tekst voor te dragen met een verbindende boodschap die haaks stond op het felle debat.

Volksmenners

„De kloof tussen wit en zwart wordt benoemd door mensen die daar hun werk van hebben gemaakt”, zegt Otte, doelend op politici en opiniemakers. „Maar als ik op straat kijk, zie ik dat we meer met elkaar delen dan we denken. We eten van elkaars keuken, we delen lief en leed, onze kinderen gaan samen naar school. En het klinkt cliché, maar uiteindelijk hebben we allemaal dromen en doelen, dingen waar we blij van worden of wakker van liggen. En dat probeer ik te benadrukken, zonder mijn ogen te sluiten voor de realiteit, en die is dat we als Rotterdammers door volksmenners tegen elkaar uitgespeeld worden.”

In een stad waar poëzie alomtegenwoordig is, legt hij de lat voor zichzelf hoog. „Ik kijk erg tegen de vorige stadsdichters op, zoals Ester Naomi Perquin en Daniël Dee, maar ook tegen grote namen als Jules Deelder, Cornelis Vaandrager en Frans Vogel. Dat zijn grote schoenen die ik moet vullen.”

Tegelijkertijd verwacht hij geen erkenning buiten Rotterdam. Otte: „Je ziet dat de norm voor kunst en cultuur in hoge mate bepaald wordt door Hilversum en Amsterdam en ik merk dat je er als Rotterdammer moeilijker tussen komt. Dat is geen Calimero-praat, maar feitelijk wat het is. Vroeger vond ik dat erg, nu lig ik er niet meer wakker van.”

onze cultuur is beter

jullie zijn gewoon niet aardig

andere culturen

zijn bij jullie minderwaardig

    • Lotfi El Hamidi