Opinie

    • Ellen Deckwitz

Baby

De afgelopen maanden heb ik meer in een vliegtuig gezeten dan de paus en hoewel op een zeker moment qua claustrofobie en misantropie alle vluchten op elkaar lijken, zijn er altijd nog uitschieters. Vorige week landde ik op Schiphol en konden we maar niet uitstappen. De ene helft van de passagiers stond geërgerd in het gangpad en de andere helft hing half gekromd voor hun stoel alsof ze zich boven een onbekend toilet bevonden. Een massale zucht ging door de cabine toen de piloot omriep dat de gate nog niet vrij was omdat we vanwege wind mee te vroeg waren geland.

Een baby, zo’n twee mensen achter me, liet een huilerig jammertje ontsnappen. Iedereen keek achterom, de vader hield het kindje in zijn armen, glimlachte verontschuldigend. Wij glimlachten terug. En toen gebeurde het. De baby nam een teug lucht om te beginnen aan een huilbui die qua volume een raketlancering met gemak evenaarde. Omstanders duwden geschokt hun oren dicht, de vader hield het mensje een halve meter van zich af, probeerde met sussen en wiegen de volumeknop dicht te draaien maar het inmiddels paars aangelopen organisme wist van geen ophouden. Ondertussen riep de piloot om dat we even gingen taxiën naar een andere gate, die over een half uurtje vrij zou zijn. De baby liet zich hierdoor niet van de wijs brengen en bleef brullen. De vader was inmiddels van schaamte een halve meter gekrompen.

Mijn grootmoeder zei altijd dat alles uiteindelijk went, zelfs een kamp (en zij kon het weten) en na een kleine twintig minuten van oorverdovend geblèr raakte iedereen inderdaad een beetje murw. Toen kwamen de praatjes.

‘Eén condoom”, zei de jongen naast me iets te hard, „één condoom en dit was ons allemaal bespaard gebleven.” Het was even stil en toen barstte iedereen in lachen uit. Behalve de vader. Die begon wat pips te zien.

„Ja”, zei een ander, „waarom mensen in godsnaam baby’s meenemen op zo’n vlucht, die krijgen van reizen toch niets mee, laat ze toch thuis!”

En er volgde een hele reeks anekdotes en opmerkingen over hoe vreselijk het is als er een zuigeling op de vlucht zit. Het kind jankte door, de arme vader werd uiteindelijk lijkbleek en staarde naar de vloer. Het regende inmiddels babygrappen („Het zit in de hoek en wordt steeds kleiner – een baby met een kaasschaaf!”) en toen werd er eindelijk omgeroepen dat we het vliegtuig konden verlaten. De rij zette zich in beweging.

„Wat is het toch asociaal om een baby mee in het vliegtuig te nemen”, zei een meisje van een jaar of twintig.

„Ja, echt de hel”, zei haar vriendin. Ik keek om naar de vader, die inmiddels een trillende lip had. Ja, dacht ik. De hel zijn inderdaad de anderen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.
    • Ellen Deckwitz