Opinie

Het verborgen leven van dominee De Lange

De bijbelverhalen natuurlijk, maar ook Winnie de Poeh en Ollie B. Bommel, bulderend van het lachen. Toneelspelen, zingen bij de piano, Schubert, veel Schubert. Maurits, de jongste zoon van dominee Syb de Lange, begint te neuriën, ‘Gute Nacht’ uit Winterreise. „Hij nam me mee naar musea, vooral naar het Rijks. Ging hij naar de schilderijen met bijbelse taferelen kijken en ik naar de schepen en kanonnen.”

In zijn herinnering, zegt Maurits, was het een fijn en harmonieus gezin. Al was zijn vader soms wel zomaar een paar dagen weg en liep zijn moeder dan boos en verdrietig door de pastorie, een bovenwoning op het Olympiaplein, in Amsterdam-Zuid. „In een van die periodes, ik zat vlak voor mijn eindexamen, belde hij me op. Ik was bijna achttien en hij zei” – Maurits haalt hoorbaar adem – „hij zei: weet je eigenlijk wel dat ik homofiel ben?” Dat was in 1987. Zijn twee oudere broers en zijn zus wisten het al.

Zelf ken ik Syb de Lange van toen ik nog op school zat, midden jaren zeventig. Hij was studentenpredikant en hij preekte op zondagavond zonder toga in de Keizersgrachtkerk. Daar zaten dan de gereformeerd opgevoede jongens en meisjes die voor de lieve vrede thuis nog deden alsof ze geloofden, onder wie ik. In die tijd kwam het niet in je op dat een dominee homoseksueel kon zijn. Of misschien moet ik zeggen: het hele idee van homoseksualiteit kwam niet in je op, niet in mijn wereld, ook al was die in Amsterdam.

Hij wilde een gezin stichten. De psychiater zei dat het tijd was een meisje te zoeken

Nu is Syb de Lange dood – hij is een paar weken geleden gestorven, te midden van zijn kinderen en kleinkinderen – en vertelt zijn jongste zoon me hoe dat was, een vader met een verborgen leven. „Je kunt het niet vatten”, zegt hij. „Hoe kan je vader nou homoseksueel zijn? Het was absurd.” Je moet dan, zeg ik, nadenken over hoe je ontstaan bent. „En dat wil je niet”, zegt hij. „Dat wil je echt niet als kind. Er was heel lang geen sprake van aanvaarding. Ik dacht dat mijn moeder het hem had aangepraat.”

Zijn moeder: een felle Friezin die op 5 mei 1945 haar toenmalige verloofde had begraven. Die was omgekomen in het verzet. Ze was vijf jaar ouder dan Syb en had hem ontmoet tijdens een vormingsweekend voor gereformeerde jongeren in Wijk aan Zee.

Wist ze, vraag ik aan Maurits, dat haar man op mannen viel? „Ja. Hij had haar verteld dat hij ervoor behandeld was door een psychiater in de Valeriuskliniek. Die had hem na een paar consulten genezen verklaard.” Op grond waarvan? „Het feit dat mijn vader graag een gezin wilde stichten. Toen zei de psychiater dat het dan nu tijd was om een meisje te zoeken.”

Wordt vervolgd.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) schrijft op deze plek voorlopig de wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.