Opinie

    • Frits Abrahams

Dierenliefde ware liefde

Het is niet gemakkelijk oorspronkelijk te schrijven over het verdriet om een gestorven of vermist huisdier, maar er zijn nog altijd schrijvers die dat uitstekend lukt.

Koos van Zomeren is een bekend voorbeeld. In zijn onvolprezen oeuvre kunnen we lezen hoe het zijn honden Rekel en Stanley verging. Rekel sterft in Het complete Rekelboek een normale dood, voor zover een dood ooit normaal kan zijn; hij is al zeventien jaar als zijn baas in zijn dagboek noteert: „Gisteravond, toen ik mijn tanden stond te poetsen, was het opeens heel helder. Je moet hem laten afmaken.” Rekel is te ziek geworden, hij wordt beroofd „van elke waardigheid”.

Tragischer, althans voor mij als lezer, was het verlies van Stanley dat Van Zomeren twee jaar geleden in Alptraum beschreef. Stanley maakt in de bergen bij het Zwitserse Grindelwald een fatale val als hij overmoedig achter een gems aangaat. Van Zomeren probeert het ongeluk en zijn eigen aandeel erin via allerlei invalshoeken te reconstrueren. Hij verwijt zichzelf dat hij zijn hond te lang is blijven beschouwen „als een hond die alles nog kon”. Stanley maakte vermoedelijk zelf ook die fout, voegt hij eraan toe.

Maar Alptraum is ook, en vooral, het boek van een rouwende nabestaande: „Je mist de vanzelfsprekende aanwezigheid van een leven, een ánder leven, dat tot een bestanddeel van het jouwe geworden is.” Tegenover zijn broer moet Van Zomeren toegeven dat hij zijn hond meer mist dan zijn gestorven vader. „Het was makkelijker om van Stanley te houden dan van mijn vader.”

Wat betekent het voor iemand om een dierbaar dier – twee woorden die voor elkaar gemaakt zijn – te verliezen? Van Zomeren maakt dat op een indringende manier in zijn boeken duidelijk.

Dat geldt ook voor de Amerikaanse schrijfster Mary Gaitskill, die in haar vorig jaar verschenen essaybundel Somebody With A Litttle Hammer, de memoir ‘Lost Cat’ opnam, een vijftig pagina’s lang essayachtig verhaal.

Het begint zo: „Vorig jaar verloor ik mijn kat Gattino. Hij was erg jong, met zijn zeven maanden was hij nog maar nauwelijks een adolescent. Hij is vermoedelijk dood, maar ik weet dat niet zeker.”

Gaitskill had Gattino onder haar hoede genomen toen ze met haar man in Toscane woonde. Hij was kwetsbaar omdat hij aan één oog blind was. Ze namen hem mee naar Amerika, waar hij na enkele maanden spoorloos verdween uit hun nieuwe huis dat dicht bij een wildreservaat lag.

Gaitskill speurde een jaar lang wanhopig, ze onderzocht elke tip, nam contact op met alle dierenartsen in het gebied. Tevergeefs. Ze vertelde een bevriende schrijver dat haar huis verpest was door het verlies van Gattino. Hij zei spottend: „O, dus dat is jouw trauma?” Ja, reageerde ze, dat was een trauma.

Gaitskill vermengt de beschrijvingen van haar zoektocht naar Gattino met herinneringen aan enkele van haar lastige pleegkinderen en aan haar vader – ook interessant, maar haar obsessie met haar verdwenen kat boeide me meer. Ook omdat zij, min of meer net als Van Zomeren, de liefde voor een dier hoger inschat dan die voor een mens.

„Een verloren, hongerig klein dier, stervend in de kou op weg naar huis” – dat is voor haar dé metafoor voor liefde.

    • Frits Abrahams