Opinie

    • Paul Scholten

Besturen begint bij luisteren: leve het preferendum

Peil de bevolking vóór, niet na belangrijke wetsvoorstellen, suggereert . Zo’n preferendum is beter dan een referendum achteraf, als zaken al beslist zijn.
De gemeente Schiermonnikoog telt de stemmen die op 6 april 2016 zijn uitgebracht in het referendum over het associatieverdrag tussen EU en Oekraïne. Foto Catrinus van der Veen/ANP

Het raadplegend referendum, zoals over het Oekraïneverdrag en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv), is van de baan. De Eerste Kamer stemt dinsdag over de intrekkingswet, maar zal dit raadgevend referendum niet redden. Intussen is er nieuwe discussie over een beslissend correctief referendum, zoals voorgesteld door de Staatscommissie parlementair stelsel onder leiding van Johan Remkes. Dat zou in strijd zijn met de Grondwet en de taak en verantwoordelijkheid van het parlement uithollen. Terwijl volgens regering en parlement juist versterking van de parlementaire democratie nodig is.

De commissie-Remkes zal naar een nieuwe oplossing op zoek moeten. Haar voorlopige keuze is dus vooralsnog ongrondwettig en de haalbaarheid is over minstens zes, zeven jaar nog zeer onzeker. Remkes moet met een eenvoudige oplossing komen, die spoedig in werking kan treden. Want de roep om meer democratie wordt luider en luider.

Waarom niet gedacht aan wat je een ‘preferendum’ kunt noemen? Mijn voorstel is om voorafgaand aan het maken van een wetsvoorstel bij onderwerpen die daarvoor in aanmerking komen onder de bevolking eerst een officiële nationale voorkeurspeiling te houden.

Hierbij wordt naast een of twee reëel uitvoerbare mogelijkheden de keuzemogelijkheid geboden om alles bij het oude te laten. Hierover wordt de voorkeur (preferentie) van de bevolking gevraagd en de uitslag wordt openbaar. Vooraf en niet achteraf.

De regering weet waar en hoe zwaar de voorkeur ligt voordat zij haar eigen afweging maakt

Het voordeel hiervan is dat de bevolking zich zorgvuldig gehoord weet. En de regering weet waar en hoe zwaar die voorkeur ligt voordat zij haar eigen afweging maakt en zij – als ze dat wenst – een wetsvoorstel indient. In de argumentatie van het wetsontwerp zal zij dan moeten laten zien wat de voorkeur van de bevolking haar waard is.

Je zou zo’n ‘nationale voorkeurspeiling’ bijvoorbeeld kunnen houden over behoud van het huidige kiesstelsel. Wil je de nadruk leggen op representativiteit en de voortdurende fragmentatie van de Kamer die nu het gevolg is? Of wil je het stelsel zo aanpassen dat je uitkomt op een Kamer van maximaal zes fracties in plaats van de huidige dertien, zodat coalitie, oppositie en regering versterkt tevoorschijn komen?

Natuurlijk staat het elk Kamerlid afzonderlijk, en elke partij vrij zich in de aanloop naar een preferendum over een keuze uit te laten. Maar het parlement als geheel spreekt zich pas beslissend uit bij de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede en Eerste Kamer. Zij houden de eindverantwoordelijkheid waar zij in ons stelsel toe geroepen zijn.

Column Tom-Jan Meeus: Rutte III en de strijd tegen de klassieke conserverende krachten in Den Haag.

Bij deze opzet wordt de bevolking op het juiste moment betrokken, namelijk aan het begin en niet aan het eind, wanneer de zaken al beslist zijn, zoals bij de verschillende varianten van een referendum.

Besturen begint nu eenmaal met luisteren, en in dit geval: werkelijk willen weten hoe de bevolking over een belangrijke kwestie denkt.

Laten we daarom niet krampachtig ieders vermeende gelijk nastreven maar met het preferendum praktisch Nederlands zijn. Een wijziging van de Grondwet is met deze nieuwe vorm niet eens nodig; een gewone wet volstaat om er de komende jaren ervaring mee op te doen.

    • Paul Scholten