Aan tafel tussen een schim en zijn vrouw

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: op bezoek bij een oude tycoon die betere tijden heeft gekend.

We lopen naar binnen bij het enorme appartementencomplex aan de Upper East Side in Manhattan. Een ruime hal in pastelkleuren. Een boeket verse bloemen voor een gouden spiegel die tot het plafond reikt. En natuurlijk de onvermijdelijke doorman. Het manusje van alles, de steun en toeverlaat, die op je hond past als je nog even naar boven moet omdat je je tas vergeten bent. Of die voor jou naar boven gaat om hem te halen.

„Jullie komen voor Mr. en Mrs. D.”, weet hij en wijst naar een sofa. We zijn te vroeg, dat hoort niet. Amerikanen zouden dat nooit doen. Precies op de afgesproken tijd brengt hij ons naar de lift en drukt op het knopje van de achttiende verdieping. „Have a great evening, ma’am, sir.”

Hij tikt aan zijn pet. Boven worden we opgevangen door een dame met een schortje. Ze pakt onze jassen aan, neemt onze mobiele telefoons in – het echtpaar staat die niet toe – en wijst ons naar de plek waar we onze neus kunnen poederen.

Midden in de huiskamer staat de gastvrouw. Ze is ver in de zeventig, maar ziet er veel jonger uit. Statig rechtop steekt ze een hand vol juwelen naar me uit. We wisselen beleefdheden uit. Ze vertelt over de schilderijen aan de muur.

Dan maakt de gastheer zijn entree. Zwaar leunend op een stok loopt hij de kamer in en schudt iedereen uitbundig de hand. „Hij heeft zich enorm moeten oppeppen voor dit moment”, zegt de gastvrouw, zo luid dat ik bang ben dat hij het hoort.

Of zou het de bedoeling zijn. Hij doet in ieder geval zijn best haar blik te ontwijken.

Al gauw geeft ze een teken aan een jongeman die haar man in een rolstoel helpt. Even sputtert die tegen, maar laat zich dan dankbaar zakken. Op de salontafel staat een grote foto van hem. Daar staat hij als vijftigjarige, naast de president van Amerika. Hij lacht uitbundig. Een titaan van Wall Street. De wind in de zeilen, alles werkte mee.

Zijn vrouw wenkt een meisje, dat hem naar het hoofd van de eettafel rijdt. Mijn naambordje staat tussen hen beiden in. Dat belooft wat. Wanneer het voorgerecht wordt neergezet, recht hij zijn rug en kijkt de tafel rond. Maar als zij begint te eten worden zijn ogen dof.

„Hij gaf altijd geweldige speeches”, zegt ze tegen me, „maar dat kan hij niet meer. Hij is de laatste tijd zo achteruitgegaan.”

„Ze geeft me niet eens meer de kans iets te zeggen”, fluistert hij tegen me.

„Ik ga zo een toast uitbrengen bij de beste wijn uit mijn kelder”, zegt hij tegen me, en vraagt de bediening een Châteauneuf-du-Pape te halen.

„Doe maar niet”, zegt zij tegen het meisje. En dan tegen hem. „Die wijn is zuur, weet je nog?”

Hij staat op, duwt de rolstoel weg, en smijt de stok die een aangesneld meisje komt brengen tegen de grond. Zonder nog iets te zeggen loopt hij de kamer uit.

„Hij is een schim van wie hij ooit was”, zegt ze tegen me. „Moeilijk aan te zien, hè, vind je niet? Het is tijd voor hem om te gaan.”

Reacties naar pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong