Opinie

    • Tom-Jan Meeus

Overal komen de sterke mannen op. En wij bestrijden elkaar over identiteit

Deze week: wat leverden de debatten over dé splijtzwam van het politieke jaar – identiteit – eigenlijk op?

Ofwel: de opkomst van de nep-politiek.

Het parlementaire jaar is deze week afgesloten – ik vermoed dat de burger dit leed kan dragen. Maar laten we even stilstaan bij het onderwerp dat dit seizoen de meeste heftigheid teweegbracht: identiteit.

Nationale identiteit, individuele identiteit, identiteitspolitiek – elke variant leverde onstuimige discussie op.

De verkiezingscampagne ging er vorig jaar over. De grote publieksdebatten gaan erover. En dus besloot Rutte III er bij zijn komst ook over te gaan, met als bekendste plan dat kinderen op scholen voortaan het Wilhelmus zouden leren.

Hier mochten we niet lacherig over doen van Rutte III. Dit was, zeiden coalitieleiders, serieuze aandacht voor nationale waarden.

Dus ik dacht deze week: even nagaan hoe het ermee staat.

En zie: het door politici zo vaak benadrukte belang van (nationale) identiteit blijkt in de praktijk van beperkte betekenis.

In schriftelijke antwoorden die het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen me stuurde, staat dat nog vele voorbereidingen voor de maatregel getroffen moeten worden. En dat daarna de wet nog moet worden gewijzigd.

Zodat, als alles meezit, „het nieuwe curriculum”, waarin het Wilhelmus een rol krijgt, „beschikbaar is in schooljaar 2021/2022.”

Dat schooljaar gaat nazomer 2021 in – een maand of vijf na de volgende verkiezingen, op 17 maart 2021.

Zo gaat dit met politiek en identiteit: de heftigheid van de debatten pretendeert veel – maar heeft zelden praktische betekenis.

Dit zou Den Haag (en de media) iets mogen leren: al die politieke aandacht voor identiteit draagt het gevaar in zich dat het eindigt in een desillusie voor de burger – in de volksmond: bedrog.

De werkelijkheid is ook: politici hebben het er zelden over.

De laatste weken voerde ik menig gesprekje over het komend halfjaar, vaak op zo’n zonnig Haags terras, en ik hoorde van alles: veel speculaties over een internationale toekomst voor Rutte, zorgen over afvallige senatoren in de coalitie, beduchtheid in de VVD over het justitieonderzoek naar oud-voorzitter Keizer, bevreemding over de stilte in het CDA, een pensioenakkoord (met nogal wat D66-pijn) in de nazomer, veel klimaatverwarring, aanhoudend klamme handen in de coalitie over de dividendbelasting.

Mijn vijftig cent over het laatste: in het najaar – ruim na Prinsjesdag – gaat de afschaffing alsnog van tafel. Zo kreeg ik bevestigd dat ze in een van de coalitiepartijen laatst al op hoog niveau spraken over het vrijvallende geld zodra de afschaffing is ingetrokken.

Een andere fascinerende ontwikkeling: GroenLinks wordt volwassen, en dat genereert groeipijn: oud-Kamerlid Arjan El Fassed blijkt sinds kort te werken als lobbyist van Google – het type transfer dat je tot voor kort VVD’ers zag maken.

Over dat soort dingen praten politici.

Tegelijk is ook GroenLinks typisch zo’n partij die zich niet goed raad weet met identiteitspolitieke discussies.

Linkse mensen klagen graag dat identiteitspolitiek een specialisme van (nieuw) rechts is, en rechtse mensen draaien het even graag om, maar de werkelijkheid is: beide varianten bestaan.

Femke Halsema, de nieuwe burgemeester van Amsterdam, hield hier twee jaar terug een fraaie toespraak over bij de Raad voor openbaar bestuur.

Ze wees erop dat de opstand van de jaren zestig, de ‘dekolonisatie van de burger’, zoals H.J.A. Hofland dat noemde, culmineerde in de Grondwetswijziging van 1983, toen het discriminatieverbod in artikel één terechtkwam: gelijke behandeling ongeacht achtergrond of identiteit.

Het emancipatiestreven van vrouwen, gekleurde Nederlanders, transgenders etc. werd zo grondwettelijk gelegitimeerd. Maar hun verlangen naar gelijkberechtiging, waarbij anderen een stapje opzij doen, eindigt nu, aldus Halsema, „in een wedloop in gekrenkte identiteiten”.

Iedereen een verliezersgevoel. Dus denk niet dat dit bij alleen laagopgeleiden speelt. In december citeerde het SCP twee anonieme hbo’ers die er genoeg van hebben dat ‘anderen’ voorgaan, zoals een 58-jarige zei. „Wij Nederlanders bestaan niet meer.”

Het gif zit in de venijnige reactie hierop, ook in de politiek: partijen, zoals de PVV en Denk, die de tegenstander trakteren op dezelfde vernederingen die zij zelf menen te ondergaan.

Halsema had de moed ook haar eigen achterban hierop aan te spreken. „Activisten die roepen: ‘witte mensen moeten eens luisteren’, bestrijden kwaad met kwaad: tegenstanders diskwalificeren op kleur.”

Het botst, zei ze, „met gevoelens van rechtvaardigheid waarop dezelfde white privilege-activisten een beroep willen doen.”

Zo verhardt het identiteitspolitieke debat: mensen attaqueren anderen om zich goed te voelen. Zwarte Piet, ‘de islamisering’, de slavernij, de witte man, de negerzoen, een vuurwerkverbod, etc.: zo goed als mensen zich voelen over hun positie, zo weinig vordert de discussie.

En middenpartijen weten er zich door alle emoties geen raad mee, en scharen zich met taal aan de zijde van de grootste groep. ‘Normaal. Doen.’ ‘Pleur op.’ Etc.

Taal die stoerheid verwart met beleid: nep-politiek.

Je zag het deze week weer toen VVD en CDA het kansloze voorstel deden nieuwe Nederlanders stemrecht te onthouden als ze niet inburgeren.

Terecht vroegen mensen wat er Nederlands kan zijn aan het intrekken van democratische rechten – maar daar was dit natuurlijk niet voor: dit was het zoveelste voorbeeld van lippendienst aan zekere landgenoten. Verkapt inspelen op wrok.

Nu wil ik niet zeggen dat al het identiteitspolitieke handelen dit effect heeft. Scholieren naar musea sturen of het Wilhelmus leren; een vlag in de Kamer – niets op tegen.

Maar verreweg de meeste identiteitspolitiek heeft het effect dat Poetin volgens de geheime diensten ook nastreeft: het voedt het ressentiment en bevordert de nationale verdeeldheid.

Het meest bevreemdende hieraan is dat we zo als samenleving almaar bezig zijn met onszelf, en amper aandacht hebben voor de wereld om ons heen, zelfs nu de invloedrijkste krant van deze tijd ons telkens verwart met Denemarken.

Want hoe druk we ook zijn met onze nationale identiteit: aan de andere kant van de oceaan weten ze het verschil tussen Amsterdam en Kopenhagen niet eens.

Intussen, dat is veel belangrijker, wankelt de wereldorde onder druk van Trump, de Brexit, Poetin en het opkomend nationalisme in Europa: terwijl wij ons blindstaren op consequentieloze identiteitspolitiek, staan over de grenzen de sterke mannen op.

Ik maak me geen illusies: de nationale fixatie op identiteit zal helaas niet snel meer verdwijnen.

Maar hiërarchie kan misschien helpen. Als Nederland in deze onzekere tijden ergens belang bij heeft, zijn het krachtige nationale en internationale instituties. De Raad van State, de Kamer, de EU, de NAVO, de WTO: zij beschermen kleine machten tegen de sterke mannen.

Dus bevordering van de kennis onder de bevolking over die instituties, over al die instellingen die de huidige nationale en internationale orde schragen, zou het land beter dienen dan het zoveelste debat met identiteitspolitieke lading.

Want wat de politiek daarmee doet weten we nu wel: veel rumoer, veel grote woorden, veel codetaal, veel verdeeldheid – en daarna: niets (of bijna niets).

Dus minder aandacht voor identiteit, en meer nadruk op de kracht van instituties en de internationale werkelijkheid – daarmee zou Den Haag het nationale belang aanzienlijk beter dienen.

    • Tom-Jan Meeus