Recensie

Spectaculaire expositie over de bizarre kwabtrend uit de Gouden Eeuw

Een fraai vormgegeven tentoonstelling in het Rijksmuseum belicht de fantasievolle en soms bizarre ‘kwab’-ornamentiek in zeventiende-eeuws zilverwerk en meubilair.

De tentoonstelling Kwab in het Rijksmuseum Foto Rijksmuseum

Het klinkt als geologie. Bij het rijtje van het krijt, jura, trias en perm lijkt ‘kwab’ prima aan te sluiten. Vooral als er, zoals nu gebeurt in de catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in het Rijksmuseum, een onzijdig lidwoord voor staat: het kwab. De term werd in de negentiende eeuw bedacht als aanduiding voor een vorm van ornament, vanwege associaties met ‘de’ kwab: een plooi van vlees of vet in de dieren- of mensenhuid. De stroming lijkt dus te gaan over de anatomie, maar ook die schijn bedriegt. Niet alleen doet de nogal onappetijtelijke omschrijving geen recht aan de verfijnde voorwerpen die in de zeventiende eeuw in deze stijl tot stand zijn gekomen. Ook blijkt uit de expositie van circa 130 werken dat het kwabornament weinig verband houdt met lichamen zoals ze er werkelijk uitzien.

Kan met deksel, Adam van Vianen, 1614 Foto Rijksmuseum

Illustratief is een (later vergulde) zilveren kan van 25 cm hoog die in 1614 werd gemaakt in opdracht van het gilde van zilversmeden in Amsterdam. De grillige, in elkaar overlopende vormen lijken nu eens gestolde stromen kaarsvet, dan weer uitgerekte stukken rubber. Soms neemt het materiaal een dierlijke of antropomorfe vorm aan, zoals het knielende aapachtige wezentje onderin dat het gevaarte op zijn rug torst, en de serpentine die uitmondt in een monsterlijke kop met opengesperde muil. Toch vertoont de decoratie nauwelijks verband met de zichtbare werkelijkheid - alles is ontsproten aan de fantasie van de kunstenaar.

De maker van deze virtuoos uit één stuk zilver vormgegeven kan was de Utrechtse edelsmid Adam van Vianen (1568-1627), die hem ontwierp ter herinnering aan zijn even getalenteerde broer en vakgenoot. Deze Paulus van Vianen (ca. 1570-1613) wordt wel beschouwd als de uitvinder van de kwabstijl. Van 1603 tot zijn dood tien jaar later verbleef hij aan het hof van de kunstminnende Habsburgse keizer Rudolph II in Praag. Daar maakte hij kennis met de elegante hofkunst en fantasievolle kunstnijverheid waar de monarch zo dol op was. Maar Paulus’ kwabstijl kende vooral succes in de edelsmeedkunst in het Holland van de Gouden Eeuw.

De tentoonstelling Kwab in het Rijksmuseum Foto Rijksmuseum

Een lange reeks bekers, kannen en schalen, maar ook bijvoorbeeld prenten, meubels en schilderijlijsten van de hand van onder meer de gebroeders Van Vianen en de Amsterdammer Johannes Lutma (ca. 1584-1669) geeft er in de spectaculair vormgegeven expositie een prachtig overzicht van. Rembrandt mag, als ‘fan van kwab’, niet ontbreken, al was het maar omdat hij in 1656 een portretje etste van Lutma die op zijn oude dag, zelfbewust en trots op zijn werk, poseert met de zilveren schaal die verderop in een vitrine staat. Christiaan van Vianen (ca. 1598–1671), een zoon van Adam, bracht het tot hofkunstenaar van de Engelse koning Karel I, voor wie hij een vernuftige zilveren schaal maakte waarin dolfijnen zijn weergegeven in een bassin van kwabmotieven.

Het bizarre ornament kende in de zeventiende-eeuwse Republiek een grote populariteit, zoals onder meer blijkt uit zilverwerk dat schilders opnamen in stillevens en historiestukken. Dat het opvallend vaak dezelfde stukken zijn, onderstreept dat slechts weinigen de kwabstijl echt onder de knie kregen.

    • Bram de Klerck