Dwang is geen vies woord meer. Twee decennia integratiebeleid

20 jaar integratieAl twintig jaar is ‘integratie’ een hypergevoelig politiek dossier. Wat leverde dat op? NRC sprak oud-ministers, topambtenaren en Wouter Koolmees, die deze week met nieuwe plannen kwam.

Eén keer in de week stempelen. Dat is de enige verplichting die Iyasu Mulat (48) heeft als hij in 1994 als 24-jarige vanuit Ethiopië naar Nederland komt. Het wordt één keer per maand als hij en zijn vrouw (die iets later volgt) na negen maanden een woning in Hoogvliet kunnen delen met een Ethiopische vrouw en een stel uit Congo en Sierra Leone – asielzoekerscentra bestaan nog niet. Ze hoeven geen huur te betalen en krijgen ‘leefgeld’: 300 gulden per persoon per maand. De taal leren kan, maar hoeft ook niet. Iyasu Mulat wil graag en gaat direct vijf ochtenden per week naar school. De overheid betaalt.

Als de Eritrese Aranshi Moges (22) tweeëntwintig jaar later, op 1 juni 2016, in Rotterdam komt wonen, zijn er overrompelend veel verplichtingen. Ze moet huur betalen, huurtoeslag regelen, een uitkering aanvragen. Ze moet een inburgeringscursus kiezen om na drie jaar het verplichte inburgeringsexamen te kunnen doen. Moges spreekt geen Engels, is nooit naar school geweest. Uiteindelijk lukt het haar – met hulp van mensen uit haar flat en vrijwilligers van de kerk – haar leven op orde te krijgen. Een Syrische man neemt haar mee, een half jaar na aankomst in Rotterdam, naar zijn Nederlandse cursus. Ze krijgt vijf uur per week les, à 19 euro per uur.

De manier waarop vluchtelingen en migranten hun weg vinden in de Nederlandse samenleving is in twintig jaar fundamenteel veranderd. Eind jaren negentig was inburgering geen politiek thema. Migranten werd niet gevraagd zich aan te passen, er werden geen eisen gesteld. Dat bleek niet houdbaar. Integratie werd en bleef inzet van felle politieke strijd.

Minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) is de negende minister van Integratie. Hij kiest, bleek deze week, een pragmatische koers. Mensen die nét in Nederland zijn, kan je niet alles zelf laten regelen, vindt hij. Gemeenten moeten nieuwkomers helpen en begeleiden. Bovenal moeten mensen die mogen blijven zo snel mogelijk Nederlands leren en aan het werk. Dat, vindt Koolmees, is de beste manier om te integreren in Nederland. Daarnaast mag „iedereen zijn eigen soort Nederlander zijn”, zei hij deze week na de presentatie van zijn plannen.

De plannen van Koolmees zijn de zoveelste poging om nieuwkomers goed te laten integreren. Zijn voorgangers slaagden daar niet in. Hoe komt dat? We spraken erover met zes bewindspersonen, van uiteenlopende politieke kleur, die vanaf 1998 verantwoordelijk waren voor integratie: Roger van Boxtel (D66), Rita Verdonk (VVD), Ella Vogelaar (PvdA), Gerd Leers (CDA), Lodewijk Asscher (PvdA) en Wouter Koolmees (D66).

Ik vind het belangrijk dat mensen weten hoe het hier werkt

Wouter Koolmees

Lees ook: De perverse kant van twintig jaar inburgeren

Verplichte taalles

Het eerste paarse kabinet (PvdA, VVD, D66) kwam in 1996 met iets nieuws: inburgeringsbeleid, twee jaar later vastgelegd in de Wet inburgering nieuwkomers. Nederlandse les werd verplicht – een voorstel van hoogleraar Integratiestudies en D66’er Han Entzinger en hoogleraar ondernemingsbeleid en PvdA’er Arie van der Zwan (beiden inmiddels met emeritaat). Zij werden „heftig aangevallen” op die verplichting, zegt Entzinger nu. „Ik vergelijk het met de leerplicht. De overheid moet zorgen voor goed aanbod, de migrant moet daarvan gebruik maken en z’n best doen.”

Taallessen hadden eerder nooit prioriteit gehad. Kinderen van Turkse en Marokkaanse migranten kregen vanaf de invoering van het Minderhedenbeleid, in 1983, juist lessen in eigen taal en cultuur. Gesubsidieerd door de staat. Migranten zouden immers teruggaan.

„Ik vond dat niet goed”, zegt de Ethiopische Iyasu Mulat. We zitten in zijn woonplaats Rotterdam in een café. „Ik ken mensen die ook in 1994 naar Nederland kwamen en nu nóg nauwelijks de taal spreken.” Zelf slaagde hij na een jaar les voor het staatsexamen. Zijn Nederlands is vrijwel perfect.

Na jaren zonder vastomlijnd beleid voor nieuwkomers werd Roger van Boxtel (D66) in 1998 de eerste minister van Grote Steden- en Integratiebeleid, binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hij kreeg geen eigen geld en werd daarom door CDA-oppositieleider Jaap de Hoop Scheffer „minister voor spek en bonen” genoemd. „Integratie was voor mij: werken, meedoen en ook de taal leren”, zegt Van Boxtel – dezelfde woorden gebruikend als Koolmees nu. „In Canada gebeurde dat al. In Nederland stonden we daar nog ver vanaf.”

Zijn plannen gingen niet door: er was geen geld, en meerdere politieke partijen verzetten zich. „Paars II had moeite met de constatering dat Nederland de facto een immigratieland was.”

Toenmalig minister Roger van Boxtel in 2001 op een vluchtelingenfestival in Rotterdam

Foto Klaas Fopma/Hollandse Hoogte

Politiek dynamiet

In de samenleving groeide de onvrede over het groeiende aantal mensen met een migratieachtergrond dat de taal niet sprak, zich niet mengde, voor problemen zorgde of zonder inspanning te hoeven leveren een bijstandsuitkering kreeg.

In het essay Het multiculturele drama uitte publicist Paul Scheffer in 2000 in NRC zijn bezorgdheid over het achterblijven van hele generaties „etnische minderheden” en waarschuwde voor de „vorming van een etnische onderklasse”.

Scheffer kreeg kritiek, maar bleek ook een breed gevoel van onbehagen te vertolken. Een jaar later vonden de aanslagen van 11 september plaats en stapte Pim Fortuyn de politiek in. Hij noemde de islamitische cultuur „achterlijk” en waarschuwde voor „islamisering” van de maatschappij. Inburgering moest ‘de Nederlandse cultuur’ voortaan behoeden voor gevaar. De discussie over integratie werd politiek dynamiet.

Ook Fortuyn vertolkte de gevoelens van veel Nederlanders: het tweejaarlijkse SCP-onderzoek De sociale staat van Nederland uit 2003 beschrijft dat de „algemene opvatting over buitenlanders” tussen 1995 en 2002 negatiever is geworden.

Van Boxtel: „De criminaliteit nam af en er kwam meer rust in wijken. Maar niemand keek meer naar de cijfers. Mensen overschreeuwden zichzelf op het minderhedendossier. Degene die het hardst riep om de hardste maatregelen werd gehoord.”

Dat herkent Marilyn Haimé, die tussen 2000 en 2010 als topambtenaar op integratie werkte, onder verschillende ministers. Officieel was het beleid gebaseerd op de jaarlijkse rapporten van het CBS en het SCP. „Maar in de praktijk bepaalt de toonzetting in de samenleving de uiteindelijke opstelling van het kabinet.”

Na Van Boxtel werd ‘integratie’ overgeheveld van Binnenlandse Zaken naar Justitie. De portefeuille zou nog veel vaker wisselen van ministerie. Van Boxtel: „Het beleid veranderde elke drie à vier jaar, onder het mom van ‘aanscherping’. Dat verwijt ik de overheid. Ik vind dat niet verantwoord.”

Er ís geen groep asielzoekers die verder afstaat van de Nederlandse samenleving dan de Eritreeërs. NRC ging op pad met de vrijwilligers die hen bijstaan.

De voorbeeld-Nederlander

Hoe moesten burgers ‘nieuwe Nederlanders’ eigenlijk zien, als permanente medeburgers of tijdelijke passanten? In hoeverre moesten nieuwkomers zich aanpassen aan de Nederlandse cultuur, en wat hield die dan in? Toen prinses Máxima in 2007 zei dat „dé Nederlander niet bestaat”, bleek dat geen onschuldige uitspraak: ze werd overspoeld met kritiek. Zo veranderde het integratievraagstuk steeds meer in een identiteitskwestie.

Voormalig topambtenaar Richard van Zwol, die jarenlang als hoogste ambtenaar op verschillende ministeries bovenop de ontwikkeling van het integratiebeleid zat, zegt daarover: „Bij inburgering bestaat geen overeenstemming over wat precies het probleem is, laat staan over hoe we het moeten oplossen. Nu lopen integratievragen en vragen over identiteit dwars door elkaar. Het denken over integratie in de politiek heeft weinig richting.”

Het leek bij integratie steeds meer te gaan over een prototype, een ‘voorbeeld-Nederlander’, al kon niemand die precies beschrijven.

Lodewijk Asscher (PvdA), als minister van Sociale Zaken tussen 2012 en 2017 verantwoordelijk voor integratie: „Een van de problemen is dat we altijd heel boos zijn als mensen onze normen en waarden niet begrijpen, maar dat we ze niet expliciet overdragen. Na iedere honderd meter vertelt een bord je hoe hard je ergens mag rijden. Maar dingen die we allemaal belangrijk vinden, zoals seksegelijkheid, democratie en godsdienstvrijheid, die moeten mensen maar uit de lucht proeven.”

Terugsturen

Na de moord op Fortuyn in 2002 deed een nieuw type minister van Integratie zijn intrede. Rita Verdonk, nieuw in de politiek én binnen de VVD, stelde zich vanaf 2003 als minister van Vreemdelingenzaken en Integratie onverzettelijk op. Zij was de eerste die de noodzaak voor migranten om zelf een plaats te veroveren in de Nederlandse maatschappij expliciet voorop stelde. Die het falen van de integratie niet bij de politiek legde, maar bij migranten zelf. Een imam die haar niet de hand wilde schudden, werd een symbool van slechte aanpassing aan de Nederlandse waarden.

Toenmalig minister van Integratie Rita Verdonk feliciteert in 2005 Hagenaars met hun nieuwe Nederlandse nationaliteit. Foto Rick Nederstigt/ANP

„Er werd constant over gediscussieerd, ook in het parlement. Maar er was te lang niets gedaan”, zegt Verdonk nu. „Het was tijd om harder op te treden, om eisen te stellen en anders sancties op te leggen. Ik wilde dat we mensen ook konden terugsturen naar eigen land als ze niet meededen.”

Begin 2004 concludeerde de commissie-Blok, die een parlementair onderzoek uitvoerde naar de integratie van minderheden, dat migranten in veel gevallen best goed integreerden. Maar dat was eerder ondanks dan dankzij het integratiebeleid. De Wet inburgering uit 1998 was te vrijblijvend, vond de commissie. Een „nieuw inburgeringsstelsel was nodig, waarin de eigen verantwoordelijkheid voorop staat”.

Verdonk begon aan een nieuwe inburgeringswet, nadrukkelijk daarop gericht. De Wet inburgering werd vrijwel unaniem (één tegenstem) aangenomen en ging in op 1 januari 2007. Het inburgeringsexamen – een taaltoets en een toets over kennis van de Nederlandse samenleving – werd verplicht. De vragen uit die toets zijn in geen enkel ander land zo normatief, blijkt uit onderzoek van socioloog Ines Michalowski. Op de vraag ‘De buren van Ali zijn katholiek en hebben een beeld van Maria in de tuin, wat kan Ali het beste doen?’ zijn drie antwoorden mogelijk. A: ’s avonds het beeld weghalen. B: niets, de buren mogen dat zelf weten. C: vragen of de buren het beeld weghalen. Een andere vraag: Wat moet je doen als je aan het stofzuigen bent en de tv staat aan?

„Eigenlijk wil iedere minister hetzelfde: dat nieuwkomers zich zelfstandig kunnen redden”, zegt voormalig topambtenaar Haimé. „Alleen heeft iedereen een eigen methode. Links probeert groepen te faciliteren, rechts vindt dat mensen voor zichzelf moeten zorgen. Althans, dat was het vroegere onderscheid. Het links van nu is het rechts van toen geworden.”

Han Entzinger: „Toen ik in de jaren negentig over verplichte taalcursussen sprak, werd ik vol afschuw ‘rechts’ genoemd. Als ik nu stel dat de verplichtingen waar inburgeraars aan moeten voldoen, te zwaar zijn, ben ik ‘te links’. Het debat is in twintig jaar over mijn hoofd geschoven.”

Ella Vogelaar in 2008 op wijkbezoek in Den Haag

Foto Werry Crone/Hollandse Hoogte

Mislukking

Begin 2007 werd Ella Vogelaar minister in het vierde kabinet-Balkenende. Een tegenpool van Verdonk. Als PvdA’er en oud-vakbondsvrouw had ze nog gevonden dat migranten best geholpen mochten worden. Ze vond het belangrijk dat mensen Nederlands leerden, maar het ging haar te ver om dat op te leggen. Maar toen ze zelf minister werd, was ze al opgeschoven in de richting van Verdonk: „Ik vond dwang inmiddels ook geen vies woord meer.”

Wel vond ze dat inburgeraars veel meer hulp moesten krijgen dan de „kille eigen verantwoordelijkheid”, die Verdonk hen volgens Vogelaar had toebedeeld. Dat kon het beste binnen de gemeente gebeuren: „De gemeenten zitten dicht op de mensen. Zij zien precies wat nodig is. Maar ik wilde niet wéér verandering. Ik nam me voor de scherpe kantjes van Verdonks wet af te slijpen.”

Vogelaar komt met een ‘Deltaplan inburgering’. Want al zijn mensen nu zelf verantwoordelijk voor hun inburgering, de klassen blijven leeg. In haar plan moeten gemeenten migranten een inburgeringscursus aanbieden die bij hen past. „Maatwerk”, zegt Vogelaar. Ook moeten de 260.000 mensen die volgens het meest recente SCP-rapport nog niet zijn ingeburgerd dat alsnog doen. „Ik wilde de discussie terug naar: ze zijn er. Hoe krijgen we ze zo snel mogelijk zover dat ze mee kunnen doen?”

Ik vond dwang ook geen vies woord meer

Ella Vogelaar

Maar ook Vogelaar ontkwam niet aan het gepolitiseerde debat. „In de wijken werd mild over integratie gesproken, maar in Den Haag schreeuwde iedereen de mislukking van de daken.” Dat het in de praktijk wel meeviel, kreeg ze niet verkocht. Zelfs bínnen de PvdA waren er tegenstanders van haar beleid, zoals partijleider Wouter Bos en Ahmed Aboutaleb (toen staatssecretaris van Sociale Zaken), die hamerden op een hardere lijn.

Ministers ter linker- én rechterzijde kregen te maken met stemmen – al dan niet uit eigen gelederen – die vonden dat het beleid strikter en strenger moest. Naar evaluaties werd nauwelijks gekeken. Er werd wel onderzoek gedaan, maar het beleid werd steeds zo snel weer veranderd dat het onmogelijk was effecten goed te toetsen.

Gerd Leers in 2015 op Naturalisatiedag in Den Haag. Foto Valerie Kuypers/ANP

Hoeveel kost een allochtoon?

Iyasu Mulat krijgt pas in 2007 een verblijfsvergunning. Meteen begint hij een studie Business Management in Rotterdam. Hij werkt na zijn afstuderen een jaar in Eindhoven als planner in de hightech-industrie, maar vindt daarna geen nieuwe baan. Dat ligt, denkt Mulat, niet alleen aan het feit dat hij weinig werkervaring heeft. „Laatst had ik drie sollicitatiegesprekken voor een baan. Ze waren heel enthousiast. Ik wist zeker dat het door zou gaan, maar op het laatste nippertje kozen ze iemand anders. Misschien zijn ze huiverig vanwege de negativiteit rondom buitenlanders. Ze zeggen het nooit hardop.”

Vogelaar moest in 2008 aftreden onder druk van de PvdA-top, die het vertrouwen in haar opzegde. Kort daarop presenteerde de PvdA een nieuwe nota over integratie, met een veel hardere visie. De partij wil onder meer andersdenkenden confronteren met „onze waarden”. Vogelaar werd opgevolgd door partijgenoot Eberhard van der Laan.

Inmiddels zat – sinds 2006 – de PVV in de Tweede Kamer, de anti-immigratie- en anti-islampartij van Geert Wilders, en groeide in de peilingen. Wilders „bestookte” alle ministeries met vragen over hoeveel allochtonen de samenleving kosten, herinnert ambtenaar Marilyn Haimé zich. „Onze reactie was: dat moeten we goed coördineren, want: hoe definieer je een allochtoon? En hoe meet je al die verschillende kosten?”

Haimé riep alle ministeries en het Sociaal en Cultureel Planbureau bij elkaar. „Een half uur na die bijeenkomst belde Paul Schnabel, toen directeur van het SCP. Hij zei: ik ben gebeld door de media over deze vergadering. Er is gelekt. Vanaf toen ging overleg in het geheim en deelden we geen stukken meer per mail”, zegt Haimé. „Dit was zó explosief.”

Kort daarna debatteerde de Tweede Kamer over de kwestie. „De uitkomst was: we kunnen alle cijfers geven over geld dat direct aan integratie is besteed. Maar veel geld, zoals onderwijs, gaat indirect naar integratie. Dat specificeren vonden wij moreel niet juist.” In het parlement zei minister Van der Laan het zo: „Wij houden geen boekhouding bij van de waarde van mensen.”

Integratie zien als kostenpost was een nieuw kantelpunt. Haimé: „Het beeld dat in de samenleving bleef hangen was dat dit weggegooid geld was. Je voelde de publieke opinie schuiven.”

Minister Lodewijk Asscher bezoekt in 2016 een Utrechts volkstuinencomplex waar vluchtelingen vrijwilligerswerk kunnen doen; minister. Foto Piroschka van der Wouw/ANP

Louche cursusaanbieders

In 2010 trad Rutte I aan, een kabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV. Dat bezuinigde fors op integratie, oplopend tot jaarlijks 333 miljoen euro vanaf 2014. „Wat overbleef was net genoeg voor de infrastructuur van het beleid, dus om mensen een inburgeringsexamen af te nemen”, zegt Haimé. „Het geld dat we hadden om mensen een aanbod te doen voor een cursus, was in één klap weg.” Tot 2013 betaalde het Rijk voor de inburgeringscursus, sinds 2013 krijgen mensen nog slechts een lening tot maximaal 10.000 euro. Voor vluchtelingen geldt dat wanneer zij slagen voor het examen, de lening wordt omgezet in een gift.

Dit beleid werd ingezet onder minister van Binnenlandse Zaken – en verantwoordelijk voor integratie – Piet Hein Donner (CDA). Hij schreef de nieuwe Wet inburgering, die op 1 januari 2013 van kracht werd. In die wet werd de eigen verantwoordelijkheid van inburgeraars nog sterker benadrukt. Gemeenten, die in 2007 nog verplicht waren een cursus aan te bieden, hebben sindsdien geen rol meer. Integratie werd een zaak van de markt, waar consumenten (de inburgeraars) hun eigen benodigdheden (cursussen) moesten inkopen, om het verplichte examen te kunnen doen. Als ze al hulp kregen, was het van vrijwilligers.

Zo komt het dat als Aranshi Moges (dan 20) in de zomer van 2016 in Rotterdam komt wonen, ze zélf een inburgeringscursus moet zien te vinden. Ze is analfabeet en nooit naar school geweest. Ze komt, zoals velen, eerst bij een louche cursusaanbieder terecht en tekent een contract voor lessen die niets voorstellen. Het kost haar 1.250 euro. Vrijwilligers van de kerk zijn nog steeds bezig dat geld terug te krijgen.

Als ze uiteindelijk een goede cursus vindt, zijn er zes maanden voorbij. Dat betekent dat ze nog tweeënhalf jaar heeft om het inburgeringsexamen te halen, anders moet ze de kosten (10.000 euro) terugbetalen. Dat Aranshi Moges nu zeer behoorlijk Nederlands spreekt, heeft ze aan zichzelf te danken. Ze doet als vrijwilliger spelletjes met ouderen en wandelt met hen, en oefent zo de taal. Ze lacht verlegen. „Ik heb gewoon heel hard gewerkt.”

Volgens CDA’er Gerd Leers, die na het vertrek van Donner naar de Raad van State in 2011 diens integratieportefeuille overnam, had „de gedoogconstructie met de PVV grote invloed, met name op het asielbeleid”. In het regeerakkoord van Rutte I stond expliciet vermeld dat de paragraaf over integratie in samenspraak met de PVV was opgesteld. Falende inburgering werd gestraft met het intrekken van de tijdelijke verblijfsvergunning. Leers: „Die harde opstelling kwam niet alleen door de PVV, maar ook door de VVD. Die waren enorm opgeschoven en als de dood voor een ‘free ticket to Holland’-beleid.”

Langzaam drong door dat de marktwerking was doorgeschoten

Lodewijk Asscher

Rutte I viel in 2012 en werd opgevolgd door het VVD-PvdA kabinet Rutte II met Lodewijk Asscher als Integratieminister. Hij wilde nieuwkomers zo snel mogelijk aan het werk krijgen, zegt hij nu. Maar het regeerakkoord bood weinig ruimte. „Zo’n akkoord is ook een kwestie van elkaar wat gunnen. Lastig, de VVD keek met argusogen mee. Toen ik aantrad lag er een gloednieuwe wet [de Wet Inburgering 2013, red.], een nieuw systeem. De VVD zei: gooi het niet meteen overhoop, en dat vond ik terecht.”

Het resultaat was dat er in die jaren weinig veranderde. Uit een onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar de eerste resultaten van de Wet inburgering 2013 blijkt dat slechts 33 procent van de nieuwkomers die in 2013 Nederland binnenkwamen, in 2016 is geslaagd voor zijn inburgeringsexamen. „Naast de bezuiniging zijn belangrijke elementen van het beleid, zoals het beroep op de eigen verantwoordelijkheid, niet goed onderbouwd en werken onvoldoende in de praktijk”, aldus het rapport, dat begin 2017 wordt gepubliceerd.

Ook een evaluatie die vorige week naar de Kamer werd gestuurd kraakt het beleid: „Inburgering en de participatie [...] op de arbeidsmarkt zijn losgekoppeld van elkaar.” En: „Ook is er een kloof tussen inburgering en onderwijs.” „Inburgeraars starten gemiddeld pas zes maanden na kennisgeving daadwerkelijk met inburgeren.”

Wouter Koolmees dit jaar bij een reïntegratiebedrijf in Leiden. Foto Jerry Lampen/ANP

Gelijkheid man en vrouw

Beweging kwam er pas weer na het uitbreken van de vluchtelingencrisis van 2015, toen honderdduizenden mensen de Middellandse Zee overstaken en verder Europa in trokken. Asscher: „Ik kreeg geld voor begeleiding van nieuwkomers door gemeenten en er kwam draagvlak voor een prominentere rol van gemeenten bij de inburgering. Langzaam drong door dat de marktwerking was doorgeschoten. Zelf vond ik dat ook.”

Na twintig jaar felle strijd is de roep om een harder integratiebeleid nog altijd niet verstomd. De plannen van Wouter Koolmees leverden deze week weliswaar nog geen tweet op van Geert Wilders. Maar wel stelden VVD en CDA voor om mensen die niet tijdig inburgeren geen stemrecht te geven voor de gemeente.

In het nieuwe stelsel, dat in moet gaan in 2020, wordt de lening voor het bekostigen van inburgeringslessen afgeschaft – dit gaat de overheid weer betalen. Het verplichte inburgeringsexamen blijft wel. Maar een ‘model-Nederlander’ wil Koolmees niet. „Er zijn veel verschillende Nederlanders. Wel vind ik het belangrijk dat mensen weten in welk land ze terecht zijn gekomen, hoe het hier werkt.” Via herziene burgerschapslessen moeten mensen „kennis maken met de Nederlandse maatschappij”: gelijkheid tussen man en vrouw, de beginselen van de democratische rechtsstaat.

Aranshi Moges hoopt op verandering voor de mensen die na haar komen. „Ik heb me nog nooit zo eenzaam gevoeld als de eerste maanden in Rotterdam”, zegt ze. „Ik sliep op een matras op de vloer. Ik had spullen nodig maar ik had geen idee hoe ik het moest regelen. Het was zo’n ontzettende opluchting toen ik na maanden hulp kreeg en een vrijwilliger van de kerk me kwam helpen met het in elkaar zetten van een bed en kasten.”

De kinderen van Iyasu Mulat hebben geen inburgeringsbeleid nodig. Zijn zoon werkt in de horeca, zijn dochter gaat naar de vijfde van het gymnasium. Mulat hoopt dat een baan voor hemzelf nog komt. Zijn CV is voortreffelijk, er is vraag naar mensen in de logistiek en hij solliciteert zich suf. Hij houdt de moed erin. „Het móet lukken.”

    • Sheila Kamerman
    • Floor Boon