Recensie

Vrouwen, arbeiders, gays , verenigt u!

Identiteitspolitiek Op links overstemmen identiteitskwesties volgens Ewald Engelen de ‘echte’, economische problemen.

In het programma Langs de Lijn En Omstreken, op NPO Radio 1, mocht een ‘nieuwsforum’ onlangs op primetime een stief kwartier volkletsen over het boerkaverbod. Een van de commentatoren, historicus Maarten van Rossem, vond het een onzinnige regel; als je eenmaal kledingstukken gaat verbieden, zei hij, mocht van hem de korte broek ook wel op de lijst. Ook journalisten Sander de Kramer en Jelte Sondij vonden iets van het wettelijke verbod op gezichtsbedekkende kleding, dat in Nederland ongeveer tweehonderd vrouwen treft.

Dat de NPO hier zijn zendtijd aan besteedt, is een zuiver voorbeeld van wat financieel geograaf en publicist Ewald Engelen in zijn nieuwe boek Het is klasse, suffie, niet identiteit! de ‘terreur van de identiteitspolitiek’ noemt. Hoewel hij zichzelf aan de uiterste linkerzijde van het politieke spectrum positioneert, als lijstduwer voor de Partij voor de Dieren, is Engelen minstens zo fel op linkse als op rechtse identiteitspolitiek.

Volgens Engelen leidt al het gediscussieer over ‘hoofddoekjes, kinderfeestjes en seksuele voorkeuren’ af van waar het in de politiek en de media eigenlijk over zou moeten gaan: dat er van elke verdiende euro steeds minder aan werknemers uitgekeerd wordt, ‘stijgende woonlasten, groeiende ongelijkheid, ten hemel schreiend dierenleed, afnemende biodiversiteit en de snel oplopende opwarming van de aarde’. Er zijn, zo besluit hij deze opsomming, ‘belangrijkere zaken dan het genderneutrale rompertje van de Hema’.

Reageren op rechtse frames

Een andere reden om tegen identiteitspolitiek te zijn, is dat links zich telkens weer laat verleiden tot het reageren op (extreem-)rechtse frames. Een rechtse politicus roept iets uitzinnigs – op 1 juli was het Thierry Baudet die twitterde dat christelijke Europeanen de slavernij hebben afgeschaft. Vervolgens twitteren linkse activisten zich een ongeluk om zijn ongelijk aan te tonen. Hiermee krijgt de rechtse politicus uiteraard exact wat hij wil: aandacht voor zijn stelling, die anders snel vergeten zou zijn. Bovendien kan al die defensieve energie niet in iets nuttigs gestoken worden.

De stellingen van Engelen worden op links fel bestreden. Geen wonder: de linkervleugel ontleent tegenwoordig zo ongeveer zijn bestaansrecht aan het opkomen voor groepen die zich juist met hun identiteit van anderen onderscheiden. Zelfverklaarde ‘intersectionelen’ als de antropologe Gloria Wekker vinden zelfs dat alle vormen van onderdrukking met elkaar verknoopt zijn. Engelen vindt de Franse econoom Thomas Piketty, beroemd vanwege zijn werk over economische ongelijkheid, op zijn beurt een belangrijkere denker dan Wekker.

Zou het misschien kunnen dat men Engelen niet lust vanwege zijn licht badinerende toon? Dat hij minder antipathie zou oproepen als hij feministische, antiracistische en homoactivisten wat meer krediet zou geven? Ze zijn elkaars vijanden niet; welbeschouwd is de hoog oplopende tegenstelling binnen links, tussen de klassenstrijders en de intersectionelen, een paradox.

Engelen beweert immers geenszins dat identiteit volstrekt onbelangrijk zou zijn; hij wil alleen maar zeggen dat het zinvoller is wanneer iedereen, van vrouwen tot arbeiders en van gays tot mensen met een migratieachtergrond, opkomt voor zijn sociaal-economische rechten. En dat ze dat samen doen, zonder zich te verliezen in hun particuliere strijdtonelen. Niet toevallig wil Engelen af van de linkse mode dat witte mensen niet over zwarte onderwerpen zouden mogen praten, mannen niet over vrouwen en hetero’s niet over homo’s.

Blinde vlek

Wanneer een witte, heteroseksuele man zoiets bepleit, is het bal. En dan is er nog iets wat Engelen gehaat maakt: hij verzet zich, net als de Franse schrijver Didier Eribon, tegen badinerende oordelen van de elite over racistische of seksistische uitingen van de vernederde arbeidersklasse. De hoogopgeleide anti-racisten aan zijn eigen universiteit hebben volgens Engelen evengoed een blinde vlek voor de huidskleur van de schoonmakers en de portiers.

In dit soort passages voel je ergens wel welk punt Engelen wil maken, maar maakt hij zijn gedachtegang niet af. Het blijft al te vaak bij een constatering waar de lezer zelf zijn argumenten bij mag verzinnen. Dit is mede het gevolg van de ietwat gemakzuchtige keuze voor een bundeling van bestaande columns. Doordat Engelen in zijn publicaties vaak op hetzelfde aambeeld slaat, zijn er veel dubbelingen, terwijl het aan analyse ontbreekt.

Niettemin voegt de financieel geograaf een verkwikkend geluid toe aan het ietwat geborneerde debat op links. In één opzicht is zijn gelijk onweerlegbaar: de NPO zou niet gauw een historicus en twee journalisten op primetime laten debatteren over de dalende arbeidsinkomensquote. Het is te lastig, te abstract, de luisteraar wil het allemaal niet weten. Nee, dan liever de soundbites van Van Rossem over de boerka. Weg met die vermaledijde korte broek!

    • Derk Walters