Recensie

Van diepzeeduikdans tot kruiskrabben op Julidans

Dans De eerste voorstellingen van het internationale festival Julidans bieden sterk uiteenlopende maar grotendeels boeiende choreografieën.

Dansdroom van een diepzeeduiker: The Sea Within van Gruwez. Foto Julidans

Voor wie het avontuur én de verkoeling zoekt, is er in de theaters rond het Amsterdamse Leidseplein Julidans. Tot en met 15 juli presenteert het internationale festival een waaier van vaak extreem uiteenlopende voorstellingen. De eerste twee grotezaalvoorstellingen vormden meteen een mooie demonstratie: organische bewegingen, voortgestuwd door natuurlijke krachten, stonden tegenover een maffe, mechanische choreografie waarin dansers, meestal gedrieën, worden rondgeschoven door de onzichtbare hand van de choreograaf.

Ook als Lisbeth Gruwez haar choreografie niet The Sea within had genoemd, was de associatie met het leven op de zeebodem onvermijdelijk geweest: het stuk oogt als de dansdroom van een diepzeeduiker. Steeds meer actie komt er in de tien vrouwen, die samen een oceaan vol leven vormen. Als door water gedragen bewegen ze, als kleurige visjes, voorbij stuiterende zeeëgels, een school haaien of, en dat is het sterkste beeld, wuivend als een zeeanemoon. Ze deinen op de stroming, geven mee met elke beweging, herstellen het evenwicht.

In het gewelddadige ‘eten of gegeten worden’, is de stijl van Gruwez’ eerdere, brutere werk herkenbaar, waarin de nadruk meer op de menselijke psyche lag. Met The Sea within maakte de Belgische, ooit muze van Jan Fabre, misschien niet per se haar origineelste werk, maar wel een opvallend zachtaardige en esthetische creatie.

Rrrraarrr

Bij Marlene Monteiro Freitas is niets natuurlijk. Stram en stijf als opwindpoppetjes bewegen de, normaliter om hun soepele virtuositeit bejubelde, dansers van de Batsheva Dance Company, met houterige pasjes in een tiktakritme. De heftig vertrokken smoelen, waarin de ogen paniekerig zijn opengesperd, kunnen intussen een stijlmiddel worden genoemd van de Kaapverdiaanse, die ook het publiek van Spring Utrecht al twee keer stomverbaasd achterliet.

Achter een omheiningsnet waarmee bouwplaatsen vaak worden afgezet, speelt Freitas een spel van voortdurend opbouwen en afbreken, de ruimte indelend met rijtjes dansers als Legoblokjes. Het zijn volkomen absurde scènes, waar soms even een individu uitbreekt voor een ‘solo’, wat in dit geval neerkomt op raar piepen, giechelen, gorgelen en kwijlen, nog gekkere grimassen trekken of aan het kruis krabben – wat vervolgens door de groep wordt overgenomen. Publieksparticipatie is er ook.

Waartoe dat alles dient? Een portret van het absurde, zij het veelzijdige wezen dat de mens is? De soundtrack, met klaaglijke ballads van Nick Cave en Amy Winehouse tot Bachs Goldberg Variaties, zou daarop kunnen wijzen. Maar overtuigend is het niet. Wel, om met de heren Jiskefet te spreken, heel rrrrraaarrr.

Zwaaiende piemel

Begrijpelijker zijn de solovoorstellingen op de kleinere podia. Koen De Preter gaat in Dancing terug in zijn persoonlijke dansgeschiedenis, vanaf de eerste muzikale inspiratie die een spontane, fysieke uitweg zoekt. Balletsprongen verwijzen naar zijn officiële vorming, die ook een beperking vormt. In het theater, waar alles mag (ook je blote piemel ritmisch laten meezwaaien), kan hij alles zélf bepalen, licht, geluid, beweging, en hervindt hij de vrijheid.

In een ander sympathiek zelfportret schildert de Tsjechische Tereza Hradilková met onvermoeibaar touwtjespringend haar jeugd in (toen nog) Tsjechoslowakije. Met een kinderspel als taal, manie, en overlevingsmiddel vertelt zij over volwassen worden in een wereld die uiteenvalt.

    • Francine van der Wiel