Troost vinden in het getormenteerde leven van Edith Piaf

Op bedevaart René Snoeks (58) raakte stiekem een gouden kruisje aan in het Edith Piaf-museum in Parijs.

René Snoeks:„Het getormenteerde leven van Piaf, dat doorklinkt in haar muziek, intrigeerde me.”

‘Met de collega’s van het reisbureau waren we op excursie naar Parijs. Het was 1991. Ik had de anderen overgehaald om een bezoek te brengen aan begraafplaats Père Lachaise. Daar wilde ik naar het graf van Edith Piaf. Met een roos in de ene hand en een slecht afgedrukte plattegrond vol onleesbare cijfertjes in de andere vond ik het uiteindelijk: een sobere, donkergrijze, marmeren zerk. Zonder kapelletje, zonder engelen, zonder indrukwekkende sculpturen zoals bij het graf van Oscar Wilde. Een familiegraf ook nog, dat ze moest delen met haar vader, laatste echtgenoot en jonggestorven dochtertje.

Een oud mannetje met plakhaar was bezig de zerk schoon te maken met stoffer en blik. Net toen hij ’m glanzend schoon had, dwarrelde er een blaadje op het graf. Het was herfst. Met een venijnig gebaar sloeg hij het weg, alsof hij wilde zeggen: ‘Hoe durf je, hier ligt Madame Piaf!’

Niet lang daarvoor, op mijn 27ste, had ik de muziek van Piaf leren kennen in de Franse bistro waar ik werkte, in de Warmoesstraat in Haarlem. Het was uitgegaan met mijn eerste grote liefde, Peter, en als ik luisterde naar Piafs dramatische, zwaar melancholische chansons voelde ik me getroost. Hoewel ik ook hield van de vrolijker, uptempo nummers als Milord en Les trois cloches. Net als bij Ramses Shaffy en Jacques Brel gaat alles wat zij zingt recht je ziel in. Puur, echt. En elke keer weer. Je kunt die nummers honderdduizend keer horen.

Het getormenteerde leven van Piaf, dat doorklinkt in haar muziek, intrigeerde me. Alleen al het verhaal dat gaat over haar geboorte: haar doodarme moeder zou op straat van haar bevallen zijn, op de cape van een gendarme. Een tragisch, zelfdestructief leven was het, doordrenkt van drank, drugs en mannen.

In de tijd dat ik Piafs graf bezocht, was ik zelf net weer gaan drinken na een eerste afkickpoging in een kliniek

In de tijd dat ik Piafs graf bezocht, was ik zelf net weer gaan drinken na een eerste afkickpoging in een kliniek. Uiteindelijk is het me gelukt om van de drank af te komen, veertien jaar geleden nu, al noem ik mezelf nog steeds alcoholist. Dus ja, ik herken die drang tot zelfvernietiging, waar zoveel succesvolle artiesten aan lijden. Ik ben geen artiest geworden, al had ik heel graag naar de Toneelschool gewild. Maar thuis werd anders besloten. Ik ben naar de detailhandelschool gegaan, vanwege de buitenlandse stages, zodat ik weg kon. Uiteindelijk heb ik altijd wel mijn podium gevonden. Als verkoper, als verhalenverteller bij evenementen en als Sinterklaas.

Toen ik rond de laatste eeuwwisseling in een reisbijlage las over een aan Edith Piaf gewijd privémuseum in Parijs, niet ver van Père Lachaise, wilde ik daar meteen naar toe. Je moest je vooraf telefonisch melden en je paspoortnummer opgeven, dan werd je teruggebeld en kreeg je het tijdstip te horen waarop je terechtkon. Met twee vrienden ben ik erheengegaan; zo’n typisch Parijs’ appartementengebouw, met een bellenbord naast de voordeur. Met een code kwam je binnen. Een piepklein liftje bracht ons hortend en stotend naar de juiste verdieping. De museumhouder, tevens bewoner van het appartement, bekeek ons met kleine eksterogen eerst door een kier van de deur, die vol hing met kettingen en sloten, en vroeg naar onze naam. Achter hem kefte een pekineesje, dat even later in mijn broekspijp hing.

Twee vertrekken waren helemaal volgestouwd met spullen die aan Piaf hadden toebehoord. Kleding, zoals de bekende zwarte jurken waar ze in optrad, brieven, gesigneerde foto’s. Serviesgoed, waaronder een reusachtige soepterrine. Meubels die veel te massief waren voor dat kleine appartement – kasten reikten tot het plafond, een enorme divan. Toen ik aan de man vroeg of hij weleens op die divan lag, keek hij me verschrikt aan: ‘Non!’ Wij mochten ook nergens aankomen. Stiekem raakte ik toch even een gouden kruisje aan dat om een paspop hing, ooit een cadeau van Marlene Dietrich. Dichter bij Piaf kon ik niet komen.

Een tijd later ben ik nog eens teruggegaan. Omdat ik de collectie van het museum al gezien had, was ik die tweede keer vooral gefascineerd door de oude baas, zoals hij leefde, daar in dat mausoleum. Een heiligdom, dat was het. Wat een onvoorwaardelijke toewijding! En ineens vroeg ik me af of hij misschien hetzelfde mannetje was dat jaren daarvoor kwaaiig een herfstblad wegsloeg van Piafs graf.”

In deze zomerserie vertellen mensen over hun ‘moderne bedevaart’.
    • Brigit Kooijman