Recensie

Pajares schrijft kaal en onverbiddelijk als de woestijn

Santiago Pajares Na een nucleaire catastrofe is de woestijn de enige plek waar een jongen en zijn moeder nog terechtkunnen. De Spaanse schrijver schreef een ongewoon krachtige, bijzondere roman die de lezer bijna vanaf de eerste bladzijde overrompelt.

Zo kaal als de woestijn is de taal die de Spaanse schrijver Santiago Pajares (1979) gebruikt in zijn roman De regen van Ionah. Daar is alle reden toe. De hoofd- en ik-persoon Ionah leeft in de woestijn. Hij werd er geboren kort nadat ‘alles anders werd’, zoals hij zelf de nucleaire catastrofe noemt die zijn moeder op de vlucht joeg en deed stranden op de plek waar hij zou opgroeien. In een ‘keet’ opgetrokken uit puin en afvalhout, op de zandvlakte waar zijn moeder hem de harde wetten van het overleven leert. Tot ook zij sterft en Ionah het moet zien te rooien met schaars water uit een put, wat gewassen en de hagedissen die hij met primitieve vallen verschalkt.

De regen van Ionah is Pajares’ vierde roman en de eerste die in het Nederlands verschijnt. Hij maakt nieuwsgierig naar wat de auteur eerder geschreven heeft. Want dit is een ongewoon krachtige, bijzondere roman die de lezer bijna vanaf de eerste bladzijde overrompelt. Hard op de manier waarop De vlucht van Jesús Carrasco vijf jaar geleden meedogenloos bleek. En net zo fysiek als de Japanse film De vrouw in het zand (gebaseerd op de roman van Kobo Abe uit 1962), die de kijker al na minder dan een kwartier jeuk onder de kleren bezorgde omdat het zand vanaf het filmdoek rechtstreeks op zijn huid lijkt te plakken.

Verongelukt met zijn vliegtuig

Dat Pajares eerder De kleine prins van Saint-Exupéry als literaire getuigenis aanhaalt, valt daarbij in het niet. Ionah krijgt dat verhaal te horen van een Chinese koerier die hij in de woestijn aantreft, verongelukt met zijn vliegtuig en op sterven na dood. Het is pas de tweede mens die hij leert kennen, en tussen hen ontstaat een vriendschap waaraan de onverbiddelijke woestijn een eind maakt kort nadat ze is opgebloeid.

Shui, de koerier, draagt documenten bij zich over het incident dat leidde tot de catastrofe waarna ‘alles anders werd’. En Ionah zelf heeft opgetekend hoe de wereld er daarvóór uitzag uit zijn moeders mond, die hem na haar dood als een spookstem toespreekt. Met die getuigenissen gewapend gaat hij op pad, want, zo heeft Shui dan al gezegd, ‘de geschiedenissen die jij hebt opgeschreven zijn alles wat men voortaan over haar te weten kan komen’.

Alleen wat opgeschreven, wordt herinnerd: dat is één van de beschavingslessen die Ionah tot een steeds volwaardiger mens zullen maken. Je merkt het aan de zinnen waarin hij zich uitdrukt. Gaandeweg worden ze langer, samengestelder, gelaagder. Pajares stemt zijn stijl nauwkeurig af op het verhaal dat hij te vertellen heeft. Onbeholpen en met ontoereikende woorden beschrijft Ionah aanvankelijk de voorwerpen die hij onderweg tegenkomt. Een ‘rode cilinder’ die later een drankfles blijkt, een buis met druppend water ontpopt zich als een kraan met wastafeltje, een sprekende doos blijkt een luidspreker.

De luxe van blikvoedsel

In een enorme grot met ‘gepunte buizen’ met ‘lange vleugels, vol letters en opschriften’ ontdekt Ionah tenslotte de oorzaak van de catastrofe die ‘alles veranderde’. In die verlaten raketbasis overleeft hij weken-, maandenlang op blikvoedsel: een ongekende luxe met nooit geproefde smaken. Tot hij ontdekt wordt door een paar Chinese bewakers met wie hij vertrekt naar een wereld die nog bewoond wordt, maar die Pajares niet meer beschrijft.

Wie wil mag in De regen van Ionah het dystopische alternatief zien van De kleine prins. Ook die keerde tenslotte terug naar zijn ster waaraan Saint-Exupéry geen woord meer vuil maakte. Indringender is het boek in de taal waaruit Pajares iedere overbodigheid geweerd heeft, even onverzettelijk als de wereld die hij beschrijft. ‘Wat gebeurt er als ik nooit een hagedis vang?’, vraagt de kleine Ionah aan zijn moeder. ‘Eerst verbrandt ons lichaam het vet’, antwoordt zij. ‘Dan de spieren. Daarna gaan we dood.’

    • Ger Groot