Nee, je bent nog niet te oud, ook volwassenen willen spelen

Spelen Een volwassene in ridderpak met een kind: leuke ouder! In dat pak maar zonder kind: een gek! Maar eigenlijk wil iedereen wel spelen, schrijft Floor Rusman.

Illustratie Anne van Wieren

Het was de eerste dag van de middelbare school en ik stond er heel onhandig bij. Want wat doe je, als je vers in de brugklas iemand wil vragen bij je te komen spelen? Welke middelbare scholier speelt er nou? Maar hoe moet je het anders noemen?

Ik besloot het probleem bij mijn potentiële nieuwe vriendin neer te leggen en liep op haar af. „Hé, heb je zin om binnenkort bij mij te komen spelen? Of eeehhh, noem je dat niet meer zo?”

Ik was twaalf, een lange slungel, oubollig van geest en kinderachtig in hart en nieren. In mijn vrije tijd las ik de krant en speelde ik in de zandbak, daartussenin kende ik de opties niet. Wat doen tieners die samen tijd doorbrengen?

De nieuwe vriendin begreep mijn probleem. Voor haar was het ook aftasten, dus we probeerden van alles. We verzamelden kastanjes in het bos en maakten er poppetjes van: op de rand van kinderachtig maar wel aanvaardbaar, dachten we. We keken tekenfilms op Cartoon Network, maar die vond ik eigenlijk heel stom. Op een middag gingen we vliegeren op een pleintje. Terwijl de vlieger boven me in de lucht vloog dacht ik steeds: „Dit is leuk. Dit is het nieuwe spelen, dit is wat oudere kinderen doen. Het is leuk.”

Het probleem was: ik vond het niet leuk. Maar dat realiseerde ik me pas toen ik na een paar maanden een nieuwe vriendin maakte, met wie alles anders was. Met haar deed ik niet aan door anderen bedacht vertier, wij verzonnen alles zelf.

We liepen door de supermarkt en bedachten slogans voor heel gewone producten, zoals mie.

We verzonnen een nieuwe religie, die draaide om het aanbidden van Bibia-snelbinders. In plaats van een kruis sloegen we een snelbinder.

Wat is spelen eigenlijk?

Spelen kreeg een nieuwe dimensie. Het bleek meer te zijn dan verstoppertje spelen of zandtaarten maken. Spelen kon ook gewoon zijn: je fantasie gebruiken, de werkelijkheid anders benaderen.

Ik denk dat ik het destijds allemaal niet zo analyseerde. Dat doe ik pas sinds kort – sinds ik me realiseerde dat ik niet meer speel. Daarover later meer.

Eerst moeten we vaststellen wat spelen is. Filosoof Ludwig Wittgenstein schreef in zijn Filosofische onderzoekingen (postuum uitgebracht in 1953) dat een definitie van spelen niet bestaat: er zijn verschillende vormen van spelen en die hebben allemaal iets met elkaar te maken, maar ze delen niet alle dezelfde kenmerken.

Van Dale geeft de volgende omschrijving: „Zich met een spel vermaken, bezighouden.” En onder een spel verstaat het woordenboek: „Bezigheid ter ontspanning volgens bepaalde regels.” Een beetje karig. Het lijkt erop dat volgens Van Dale alleen het doen van spelletjes en sporten onder spelen valt. Dat is wel een erg nauwe definitie. Sterker nog, ik vind sporten en (bord)spelletjes zelfs twijfelgevallen. En of ontspanning nou zo’n sleutelwoord is? Bijna al het spelen is ontspannend, denk ik. Maar niet alle ontspanning is spelen. Anders zouden we nu in het meest speelse tijdperk ooit leven, met alle uren die aan Netflix en tv kijken worden besteed.

Grenzeloos

Kennelijk heb ik, definitieloos als ik te werk ga, toch een heel duidelijk beeld van wat spelen is en wat niet. Dat beeld is op ervaringen gebaseerd en op gevoel, dus of het te veralgemeniseren valt, moet nog blijken.

Het is ook grappig dat Van Dale het in zijn definitie heeft over ‘regels’. Wanneer ik nadenk over wat spelen betekent, komt juist het woord ‘grenzeloosheid’ in me op. In spel zijn de mogelijkheden vaak eindeloos, ze vermenigvuldigen zich voor je ogen, waardoor de ruimte een almaar uitdijend speeluniversum wordt. Fantasie laat zich niet door regels begrenzen, dat is er juist zo leuk aan.

Wat Wittgenstein er ook van zei, ik wil graag een overkoepelende definitie verzinnen. Daarvoor kijk ik toch weer naar mijn eigen leven, want het interessante is dat het spelen niet ophield toen ik officieel volwassen werd. In mijn studententijd was zelfs sprake van een speelexplosie. Ik was destijds geïnspireerd door Provo, de beweging die in de jaren zestig Amsterdam opschudde met ludieke acties. De provo’s dansten rond het Lieverdje, een beeldje dat aan de stad was geschonken door een sigarettenfabrikant. Roken was slecht, zeiden de provo’s: het maakt mensen verslaafd, het is een symbool voor de consumptiemaatschappij. Zelf rookten de provo’s heel veel en zongen ze, dansend rond het Lieverdje, de ‘ughe-ughe-song’. Logisch? Nee hoor. Wel speels. Ze goten ook yoghurt over het Lieverdje en staken het in de fik. Ze gaven ludieke krantjes uit, onder andere de Teleraaf, een parodie op De Telegraaf. Provo liet zien dat je een heel eigen ruimte kunt scheppen door in je hoofd alle grenzen op te heffen.

Ik zou nu nooit meer luchtbowlen met straatstenen

Met vrienden verkende ik deze ruimte. We raapten losliggende straatstenen op en deden alsof we ermee bowlden, tegen onzichtbare kegels. We schreven absurdistische brieven en deden die bij willekeurige mensen in de bus. We ensceneerden ruzies in cafés in de hoop het barpersoneel uit de tent te lokken.

Op een avond vroeg ik een vriend of hij zin had iets te doen – ik had alleen geen geld, dus we konden niet in een café zitten. Hij zei dat hij nog een kartonnen paardenhoofd had liggen, uit het decor van een toneelstuk dat hij had gemaakt. „Laten we gewoon met het paardenhoofd rondlopen en proberen de stad ermee te ontwrichten”, zei hij. Dat bleek een fantastisch idee, in beide betekenissen van het woord. Het paardenhoofd gaf ons het gevoel uit de alledaagse werkelijkheid te zijn gestapt en in een nieuwe te zijn beland. Het was een samenzwering tegen de volwassen wereld met z’n saaie regels.

Nu denk ik: misschien gaat het in het spelen niet om het ontbreken van regels op zich, maar om het ontsnappen aan de regels of de logica van het dagelijks leven. Misschien is spelen simpelweg het scheppen van een alternatieve realiteit, met of zonder regels die daarbij horen.

Dat kan ook de reden zijn waarom we felgekleurde sokken onder een pak ‘speels’ noemen: omdat de drager ontsnapt aan de gangbare kledingnorm. Wie afwijkende kleren draagt kan al snel het gevoel hebben subversief bezig te zijn, of zelfs een beetje te spelen. Dat gevoel moet minister Hugo de Jonge (CDA) ook hebben, want al sinds z’n aantreden staat Den Haag op zijn kop omdat hij vrolijke schoenen draagt.

Illustratie Anne van Wieren

In zijn standaardwerk over spelen, Homo ludens (1938), beschrijft historicus Johan Huizinga mode ook als een vorm van spelen. Gek genoeg sla ik dit boek pas open nadat ik al dagen heb lopen peinzen over de essentie van spelen. Dat is ook gek omdat de provo’s die mij zo inspireerden, op hun beurt werden geïnspireerd door Huizinga, de uitvinder van het woord ‘ludiek’. Huizinga’s definitie is een stuk langer dan die van Van Dale:

„Een vrije handeling, die als „niet gemeend” en buiten het gewone leven staande bewust is, die niettemin de speler geheel in beslag kan nemen, waaraan geen direct materieel belang verbonden is, of nut verworven wordt, die zich binnen een opzettelijk bepaalde tijd en ruimte voltrekt, die naar bepaalde regels ordelijk verloopt, en gemeenschapsverbanden in het leven roept, die zich gaarne met geheim omringen of door vermomming als anders dan de gewone wereld accentueren.”

Lees ook: Ga toch eens een weekendje oorlogje spelen

Grappig: spelen staat voor Huizinga buiten de werkelijkheid, het heeft met vrijheid te maken, maar tegelijk zijn er duidelijke regels aan verbonden. Dat laatste ben ik dan niet met hem eens.

We spelen niet meer, schrijft Huizinga. Nu moet ik opmerken dat hij dit schreef vlak voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, niet het meest speelse jaar uit de geschiedenis. Over onze tijd zegt het weinig.

Toch denk ik dat ook wij te weinig spelen. In elk geval doe ik het, zoals gezegd, zelf niet meer.

Schaamte

Een reden is dat ik het niet meer leuk vind om dingen te doen waarin ik niet goed ben. In mijn studententijd voerde ik met een vriendin regelmatig voor een klein publiek absurdistische sketches op. Die waren best grappig, maar het probleem was dat ik dat zelf ook vond. Ik kon die stukjes niet opvoeren zonder uit te barsten in een lachbui waarbij de tranen over mijn wangen rolden. Zeer amateuristisch. Ik heb het daarna nooit meer gedaan.

Dat heeft ook met schaamte te maken. En dat is ook de reden dat ik nu nooit, maar dan ook nooit meer met een losgeraakte straatsteen zou gaan luchtbowlen op een druk plein. Jammer, want spelen heeft juist te maken met het loslaten van schaamte. Toen we met een kartonnen paardenhoofd door de stad liepen, werden we ook raar aangekeken, maar dat sterkte ons alleen maar in het idee dat we lekker non-conformistisch bezig waren.

Spelen op je tweeëndertigste gaat niet meer vanzelf.Je moet er iets voor doen

Dat is wat er nu veranderd is: ik ben zelf onderdeel geworden van die volwassen wereld. Voor volwassenen is het veel comfortabeler om binnen het parcours van niet-afwijkend gedrag te blijven. Als we een volwassene in riddertenue een kind zien achtervolgen, denken we: wat een leuke ouder. Als we dezelfde volwassene zonder kind zien rondrennen, denken we: hé, een gek. Dus volwassenen die zonder kinderen verkleedpartijtjes willen houden, doen dat op afgelegen plekken bij ‘live action roleplay’-events – iets waaraan ik nóóit zou willen meedoen, uit angst dat er alleen gestoorden op afkomen.

Wie als volwassene wil spelen, doet het in afzondering, of op officiële momenten zoals carnaval of Sinterklaas. Dat is jammer, want ik denk dat mensen graag meer zouden spelen in hun dagelijks leven. Ik heb hier anekdotisch, maar overvloedig bewijs voor.

Kijk bijvoorbeeld hoe leuk mensen het vinden om te ‘brainstormen’. Het is altijd eerst een beetje onwennig, want bij brainstormen moet je niet-zelfbewust en niet-doelgericht te werk gaan, en dat zijn wij volwassenen nu juist verleerd. Maar na een tijdje vliegen de werknemers zo ver out of the box dat je ze niet meer kunt zien. Wat een plezier!

Buitenspelen’ voor volwassenen

Je ziet het ook aan het aantal evenementen met apenkooien, springkussens of simpelweg ‘buitenspelen’ voor volwassenen. Op eigen houtje spelen kunnen we niet meer, maar aan de hand van een organisatie gaat het nog net. Dan is het ook weer minder gek en dus veiliger.

En zie de mode: op een héél veilige manier probeert men ook hierin speels te zijn. Zo ver als Hugo de Jonge gaat bijna niemand. De meeste mannen houden het bij een in kleur afwijkend knoopstikseltje aan het uiteinde van hun mouw. Een piepklein knipoogje, geen uitzinnig gebaar. Maar het lijkt wel of de drager met dat knoopje zegt: ik wil zo graag een beetje spelen!

Lees ook dit essay van Christaan Weijts: Flaneren moet je leren, zeven lessen om zorgeloos te slenteren

Ik had het erover met de vriend van het kartonnen paardenhoofd. We spraken af in een café, waar hij arriveerde met een tas waaruit hij een glitter-egel haalde. Tot mijn verbazing maakte deze egel om ons heen van alles los. Een gezelschap vrouwelijke veertigers boog zich over hem heen, eentje riep: „Een heel lief hondje!” „Dat is een egel!” zei een ander boos. Ze streelden z’n snuit. Een man kwam langs, stopte, zei: „Leuke egel. Ik pak even een nootje van jullie” en stak z’n hand in het bakje pinda’s. De egel verlaagde de drempel tussen ons en de anderen en leek iedereen weer kind te maken.

Wat deze avond mij leerde is dat spelen op je tweeëndertigste niet meer vanzelf gaat. Je moet er iets voor doen. Maar dat kan iets héél kleins zijn. Een egel meenemen naar een café. Een onverwachte vraag stellen en daarop verder associëren. Iemand een creatieve opdracht geven (en die ook ontvangen). Iets raars aantrekken. Het hoeft niet meteen een Pino-kostuum te zijn, gewoon iets afwijkends.

Je hoeft slechts één stap opzij te zetten uit het gangbare. En daar ben je dan: de spelende mens.

    • Floor Rusman