Recensie

Klasse is ook een identiteit

Het verraad van links De Franse auteur Didier Eribon keerde terug naar zijn wortels in Reims. Daar drong tot hem door dat de arbeidersklasse verraden was.

Illustratie Istock

Uiteindelijk blijf je altijd een arbeider. De Franse filosoof Didier Eribon (1953) realiseert het zich als hij na de dood van zijn vader, die hij al jaren amper meer sprak en zag, terugkeert naar zijn geboortegrond in Reims. Hij noemt zichzelf een ‘klassenmigrant’: ‘zo’n ‘overloper’, die, min of meer definitief en min of meer bewust, wilde ontsnappen aan het sociale milieu van zijn kindertijd en tienerjaren’.

Dat milieu was een arbeidersmilieu. Eribon beschrijft dat leven: de wereld was onderverdeeld in wie vóór de arbeiders was en wie ertegen. Lidmaatschap van dé partij (de communisten, natuurlijk) was vanzelfsprekend en een uiting van een gedeelde klassenidentiteit. De partij steunde de arbeiders, garandeerde volgens Eribon ‘hun politieke voortbestaan en culturele identiteit’.

Terug naar Reims, dat al in 2009 in het Frans verschenen is en onlangs werd vertaald, is het verslag van de terugkeer naar een milieu dat Eribon achter zich gelaten dacht te hebben. Als hij na de dood van zijn vader terugkeert naar zijn familie, realiseert hij zich hoe hij en zijn politieke geestgenoten de arbeidersklasse in de steek gelaten hebben. Dat doet denken aan Weg met Eddy Bellegueule (2014), de autobiografische roman van Édouard Louis, eveneens een Franse, linkse homoseksueel die reflecteert op het arbeidersmilieu waarin hij opgroeide, en hoe zij zijn verraden en verlaten door links.

Marx en Lenin

Dat verraad herkent Eribon ook in zichzelf. Want, schrijft hij, ‘ik stond aan de kant van de arbeiders, maar ik verfoeide tegelijkertijd het feit dat ik uit hun wereld afkomstig was’. Als student keert hij zijn achtergrond de rug toe, en linkse partijen doen tegelijkertijd hetzelfde. Hij wordt marxist en leest bij Marx en Lenin over een revolutionaire arbeidersklasse die hij niet (her)kent – zijn ouders wilden gewoon een tv en een auto.

Links kan haar dan genegeerd hebben, de arbeidersklasse bestaat nog steeds, laat Eribon overtuigend zien. Hoe kan zware arbeidsbelasting uit het discours van links verdwenen zijn als arbeiders nog steeds ‘afgebrand’ thuis komen? Zijn broers zijn nog steeds arbeiders, maar stemmen op het Front National. Links ziet ze niet meer staan, en zij zien links niet meer.

Dat is nu geen hele spannende analyse meer – in 2009 was het dat wellicht nog iets meer. De afgelopen jaren, waarin veel witte arbeiders inderdaad op rechts-populistische partijen stemden, was die these vaker te lezen, zoals in de vorig jaar verschenen boeken The Road to Somewhere van David Goodhart en The Once and Future Liberal van Mark Lilla.

Die boeken verwijten links een te grote nadruk op identiteitspolitiek en verklaren zo hoe links de voeling met de arbeidersklasse verloor. Genderneutrale wc’s in plaats van hogere lonen, anti-racisme is belangrijker dan verheffing. Wil links weer winnen dan moet ze, kort samengevat, stoppen met de strijd voor LGBT-rechten en tegen racisme. Geen witte arbeider die daarin geïnteresseerd is. Eerst het brood, dan de kleurentelevisie, dan misschien de rozen.

Links spreekt, schrijft Eribon, niet meer ‘de taal van de bestuurden, maar van de bestuurders’

Maar is dat wel echt wat er op links aan de hand is? In Nederland voerde geen enkele linkse partij campagne voor genderneutrale wc’s, of sprak zich expliciet uit tegen Zwarte Piet. Geen landelijk links Kamerlid dat opriep tot de aanpassing van naar koloniale heersers vernoemde straten, of collecties van musea wilde ‘dekoloniseren’. Niemand ook die pleitte voor ‘safe spaces’ op universiteiten. De vakbond voert een economische strijd, niet een voor ‘inclusiviteit’.

Nee, het idee dat links zich verloren heeft in een politiek die louter zou draaien om identitaire achterhoedegevechten, is een stropop die in stand wordt gehouden door mensen die in identiteitspolitiek wellicht een bedreiging van hun eigen status zien.

Bankierssocialisme

Het probleem is anders, zoals Eribon schrijft. Klasse is óók een identiteit, maar wel één die door links vrijwel genegeerd wordt. Niet alleen door de Derde Weg van Tony Blair of het bankierssocialisme van Gerhard Schröder en Wim Kok: linkse technocraten als François Hollande vervreemdden arbeiders volgens Eribon van zich door te praten over ‘hervormingen’ en ‘moderniseringen’ – wat in de praktijk neerkomt op bezuinigingen op de verzorgingsstaat.

Linkse partijen hebben het niet meer over klassenstrijd, maar over ‘verbinding’ en ‘gemeenschapszin’. Niet over de noodzaak van een gepolitiseerde arbeidersklasse, maar over ‘de boel bij elkaar houden’, zoals ex-PvdA-leider Job Cohen zei. Op 1 mei van dit jaar demonstreerde FNV voor ‘meer echte banen’. Alsof een vast contract de finale bevrijding van de arbeidersklasse is.

Links spreekt, schrijft Eribon, niet meer ‘de taal van de bestuurden, maar van de bestuurders’. Terecht merkt hij op dat ‘het hele idee van met elkaar conflicterende sociale groepen uit het politieke debat van links werd geschrapt’.

Onderwerping

Dat witte arbeiders zich hebben afgekeerd van linkse politiek komt volgens Eribon dan ook niet zozeer door identiteitspolitiek, maar vooral door de afwezigheid van klasse als politieke prioriteit voor links. Waarom, vraagt hij zich af, ‘moeten we kiezen tussen verschillende gevechten tegen verschillende soorten overheersing?’ Verschillende systemen van onderwerping kunnen tegelijkertijd bestaan.

Het gaat niet om klasse óf identiteit, voor Eribon ís klasse een identiteit. Dat sluit strijd tegen andere onderdrukkingen niet uit – hij verdedigt bijvoorbeeld de strijd voor homorechten, een thema waar zijn in Frankrijk veelgelezen Réflexions sur la question gay (1999) over gaat. Die heeft immers vooruitgang gebracht, vindt hij, net als groene politiek. Linkse politiek is voor Eribon klasse én anti-racisme, brood én rozen. Terug naar Reims is daarmee een welkome nuance in het op links woedende debat.

    • Mark Lievisse Adriaanse