Foto Merlijn Doomernik

Journalist Max van Weezel: ‘Ik geloof niet in het hiernamaals’

Interview Parlementair journalist Max van Weezel is ziek en krijgt tegenstrijdige berichten over zijn overlevingskansen. „Pas nu ik de dood in de ogen kijk denk ik: waar heb ik mij druk over gemaakt?”

Laatst was hij bij de tandarts. Normaal gesproken wordt Max van Weezel vriendelijk geholpen door de baliemedewerkers, maar nu keken ze hem glazig aan. Wie is die magere meneer met die sonde in zijn neus? Parlementair journalist Van Weezel (66) is ernstig ziek. Drie maanden geleden werd alvleesklierkanker bij hem vastgesteld. „Als een achtbaankarretje dat uit de rails is gelopen”, zo vat hij de afgelopen periode samen.

We zitten bij hem thuis in Amsterdam, te midden van medicijnstrips en drinkvoeding. De kat scherpt zijn nagels aan de leren bank. „Ik wacht op een telefoontje van het ziekenhuis”, zegt Van Weezel. Het slangetje waarmee voeding wordt toegediend, is uit zijn neus geschoten.

De eerste tekenen van zijn ziekte dateren van ruim een jaar geleden. Moe, moe, moe was Van Weezel. Maar ja, wat wil je als je tachtig uur per week werkt? „Alle artsen die ik sprak, zeiden dat ik een burn-out had. Het gekke was alleen dat mijn werk juist energie gáf. Op dagen dat ik even niets hoefde, stortte ik in.”

Een half jaar lang zocht hij naar oplossingen voor zijn vermeende burn-out: praatgroepen, mindfulness, cognitieve therapie. Een psychiater hielp hem zijn agenda te ontleden. „Niets hielp. Toen heb ik vorige zomer een deel van mijn werk afgestoten. Ik ben uit het bestuur van journalistenvakbond NVJ gestapt en sprak met Vrij Nederland af dat ik voortaan alleen columns zou schrijven.”

Achteraf moet het een vreemd gevoel geven, dat u zo lang op het verkeerde spoor zat.

„Ja, vooral omdat ik mij niet overwerkt voelde. Maar ja, wat dan wel? De afgelopen maanden heb ik zo veel onderzoeken ondergaan: een buikecho, een total body scan, een gastroscopie, CT-scans… nooit vonden ze iets. Terwijl de kilo’s eraf vlogen.”

En toen in maart opeens wél een diagnose.

Hij knikt. „Volgens de artsen had ik geluk gehad; alvleesklierkanker is een silent killer. En door al die onderzoeken was ik er ‘net op tijd bij’.”

De dag van de diagnose werd meteen een datum geprikt voor een operatie. Er zou een deel van zijn alvleesklier, twaalfvingerige darm en gal worden verwijderd. Zijn maag zou – als dat lukte – gespaard worden. Maar toen Van Weezel uit de narcose kwam, hoorde hij dat dat maar ten dele gelukt was. Daarom worstelt hij nu nog steeds met eten.

Na de operatie volgde een verwarrende periode. Eerst werd hem verteld dat hij waarschijnlijk bij de groep hoort die de ziekte overleeft. Vervolgens werden er kankercellen in zijn lymfeklieren gevonden. De ene arts vond dat hij zo snel mogelijk aan de chemo moest, de andere achtte hem daarvoor te zwak. En tot overmaat van ramp werd drie weken geleden een uitzaaiing in de lever geconstateerd via een scan. Omdat een leverpunctie anders uitwees, mocht hij toch aan de chemo beginnen.

De ene dag denk ik: ik ga dood. De andere dag hoop ik dat ik door het oog van de naald kruip

Max van Weezel

Wat doet die tegenstrijdige berichtgeving met u?

„Ik word heen en weer geslingerd. De ene dag denk ik: ik ga dood. De andere dag hoop ik dat ik door het oog van de naald kruip. De week van de leverscan zat ik op een dieptepunt. Een arts raadde mij aan een hospice te zoeken. ‘Binnen drie tot zes weken kan het voorbij zijn’, zei zij. En had ik al een testament?”

Bent u bang voor de dood?

„Vréselijk. Ik geloof niet in het hiernamaals. Ik geloof niet dat de geest zich vrijmaakt van het lichaam. Dit is het.”

Uw dochter Natascha zei: levensdrang én doodsangst houden mijn vader op de been.

„Vooral levensdrang. Ik houd ongelooflijk van mijn werk. Ik heb onlangs een politieke podcast voor de NOS opgenomen, samen met Joost Vullings. Ook heb ik voor het eerst in lange tijd het radioprogramma Argos gepresenteerd.”

Van Weezel vertelt dat zijn gymnasiumleraar Chris de Zoeten (vader van parlementair journalist Nynke) hem op het idee bracht de journalistiek in te gaan. „Jij bent geen man voor de wetenschap”, zei De Zoeten. „Jij moet buitenspelen.”

In 2015 hield NRC een zomeravondgesprek tussen Max van Weezel en Alexander Klöpping: ‘Ben je nou bezig met de macht die je langzamerhand hebt met Blendle?’

In 1976 ging Van Weezel aan de slag bij Vrij Nederland, waar hij politiek redacteur, chef opiniepagina en adjunct-hoofdredacteur was. Hij heeft er nooit een geheim van gemaakt dat zijn politieke voorkeur links van het midden ligt, maar hij kan ook goed opschieten met „de aardige, galante” Thierry Baudet van Forum voor Democratie en „de jongens” van Denk.

In zijn begintijd bij Vrij Nederland werkte hij samen met de legendarische Joop van Tijn. Later zou hij ook duo’s vormen met Leonard Ornstein, Margalith Kleijwegt en Thijs Broer. „Joop en ik waren onvermoeibaar”, zegt Van Weezel. „We spraken niet alleen met politici, maar ook met secretaresses, kamerbodes en chauffeurs. Ik ging meestal alle borrels af. Joop was mister charming. Hij nam nét die ene dichtbundel mee naar het interview met de politicus waarvan diens secretaresse had gezegd: die is hij al jaren kwijt.”

Wat is uw leukste herinnering uit die begintijd?

„De kabinetsformatie van 1981. Op de beslissende avond moest Van Agt als premier Joop den Uyl als minister accepteren – waar hij geen zin in had. Van Tijn en ik zaten in Nijmegen bij een CDA’er. De man vertelde dat Van Agt die avond naar de wielerronde in Boxmeer zou gaan, om vandaaruit door te rijden naar Den Haag. Joop en ik sprongen in een taxi naar Boxmeer. We klampten Van Agt aan: mogen we meerijden naar Den Haag? Ik zie ons nog in die auto zitten, met op de achtergrond het ANP-nieuws: ‘de beslissende kabinetsbesprekingen zijn begonnen’. Van Agt proestte van het lachen. ‘Hahaha, wij weten beter.’”

De oplage van Vrij Nederland is de afgelopen jaren sterk gedaald. Stond u achter het besluit, in 2016, om er een maandblad van te maken?

„Ik ben tot 2005 redacteur geweest. Daarna werd ik freelancer, dus meebeslist heb ik niet. Wel heb ik altijd mijn twijfels gehad. Actualiteit is de levensader van de journalistiek. Een maandblad loopt op z’n minst het risico dat het wegebt van de actualiteit.”

Had VN niet het voorbeeld van de Groene Amsterdammer moeten volgen: een klein weekblad?

„De kracht van De Groene schuilt in de onverstoorbaarheid. Ze blijven dezelfde doorwrochte essays schrijven. Dat een deel van de lezers het einde van zo’n stuk niet haalt, doet er niet toe. Ze vinden het belangrijk dat er een blad als De Groene bestaat. Het tragische is dat VN begin deze eeuw de kans had als De Groene te worden, toen Xandra Schutte hoofdredacteur was. Schutte wilde met VN de koers varen die zij later als hoofdredacteur van De Groene is gaan varen, nadat zij bloeddorstig ten val was gebracht bij VN: meer essays en debat, minder verslaggeving en minder eenzijdig links versus rechts. Dat bleek de winnende formule.”

Komt het nog goed met Vrij Nederland?

„Ik denk het wel. In 2016 werd Ward Wijndelts hoofdredacteur. Sindsdien is de conflictueuze sfeer verdwenen. Hij is de human resource manager die het blad lang gemist heeft.”

Ondanks zijn grote staat van dienst is Van Weezel altijd onzeker gebleven. „Ik heb een enorme scoringsdrift én een existentiële onzekerheid”, heeft hij wel eens gezegd. Een moeilijke combinatie van karaktereigenschappen, die hem er bijvoorbeeld van heeft weerhouden de politiek in te gaan. „Daarvoor heb je een olifantenhuid nodig. Die mis ik.”

De sfeer tussen Haagse collega’s is volgens hem zeer competitief. „Als een ander er met de primeur vandoor gaat, houdt je chef jóú verantwoordelijk. Doe ik er nog wel toe, is de altijd prangende vraag.”

Ja, ik ben bang om vergeten te worden. Dat is een typische journalistenhouding

Max van Weezel

Sinds het nieuws over zijn ziekte bekend werd, stromen de blijken van erkenning binnen. „Een meesterinterviewer met een geweldig gevoel voor humor”, schreef premier Rutte in een onlangs door VN aangeboden Liber Amicorum.

Wat doet dat met iemand die zo naar erkenning snakt?

„Het geeft rust. Als je zo ambitieus bent, kijk je altijd naar wat je niet bereikt hebt. Nu vertellen mensen me wat ik wél bereikt heb.”

U leerde zichzelf waarderen door de ogen van anderen?

„Treurig hè, dat daar zo’n zware ziekte voor nodig is? Pas nu ik de dood in de ogen kijk denk ik: waar heb ik mij druk over gemaakt?”

Bent u bang vergeten te worden?

„Ja. Dat is een typische journalistenhouding: je bent zo goed als je laatste artikel. Maar zonder die ziekte en die lieve reacties had ik waarschijnlijk nog jarenlang getobd.”

Een belangrijke les.

„Ja, maar wel een beetje laat.”

Beter laat dan nooit.

„Ja, maar….”

Er klinkt gestommel op de gang. „Ik ga even boodschappen doen”, roept zijn echtgenote, journalist Anet Bleich, vanuit de verte.

„Maar natuurlijk lieverd”, antwoordt hij – en grijpt weer naar zijn telefoon. Hoe ziek hij ook is, hij blijft verslaafd aan het nieuws.

    • Danielle Pinedo