Recensie

Hoge verwachtingen van de vakantie

H.M. van den Brink Dertien verhalen over de vakantie, in Het ontbijtbuffet van H.M. van den Brink, bieden wat je daarvan verwacht en hoopt, maar ook méér, en verfijnder.

Tekening Paul van der Steen

Vakantieverhalen – dat klinkt veel onbekommerder dan de verhalen in deze bundel zijn. Dat Het ontbijtbuffet van H.M. van den Brink (1956) gaat over ‘het verraderlijke niemandsland dat vakantie heet’, zoals de achterkant vermeldt, dat is mooie seizoensmarketing. Maar het boek is vele malen origineler en diepgravender dan je van een bundel vakantieverhalen verwacht, zeg maar: kleinburgerlijk campingongemak, achterbankagitatie, Périphérique-paniek en de ergernis bij het karige ontbijtbuffet.

Het eerste verhaal is wat dat betreft exemplarisch: het biedt op een verfijnde manier wat je verwacht én meer dan dat. Een gespannen gezin betrekt een vakantiewoning – eindelijk tijd om te ontspannen, maar niet heus, eindelijk tijd voor elkaar, maar iedereen is gestrest en uitgeput, en dat alles staat er in tragisch-sneue beelden. En dan echt mooie. Een proeve van de hogere beschrijfkunst van H.M. van den Brink, een schrijver die steeds weer excelleert met een uiterst fijne stijl: ‘In het kale lamplicht weigeren de aluminiumpannen stug om te glimmen en staan de overlevende resten van wel drie ontbijtserviezen naast een verzameling jampotglazen zeer ongelijksoortig te zijn.’ Hoe het verder gaat: vader laat zijn kansloze oog vallen op het meisje van de patisserie. Zij heerst over de vitrine vol ‘deeg dat verzadigd opbolt, vol suiker en honing; schuitjes die schuilgaan onder een lading stijve slagroom’.

Zo spiegelt ook het decor van het tweede verhaal secuur het gemoed van de hoofdpersoon – in diens geval hoopvol. Al te hoopvol wellicht, want de hotelkamer van het pas-verliefde stel is, in de ogen van de mannelijke helft, ‘sober genoeg om hem die aangename sensatie van onpersoonlijkheid te geven waar hij zich zo goed bij voelde en die het gemakkelijker maakte om je op jezelf en op haar, op jullie samen, te concentreren’. Daarin kun je een boel omineuze onmacht lezen, en zijn hoge verwachtingen van de vakantie.

Man-vrouwverhoudingen

In wezen, meende ik na een paar verhalen, ging Het ontbijtbuffet niet zozeer over vakantie, maar over man-vrouwverhoudingen, veelal verziekt, ofwel omdat de verhouding traditioneel is, ongelijkwaardig, volgens seksistische clichés en daarmee beknellend, ofwel omdat die volledig ingedut is. In dat licht zie je ook de crux van het verhaal over een man die op vakantie een jonge Thaise ontmoet en met haar een liefdesrelatie begint. Van den Brink laat schitterend in het midden in hoeverre er sprake is van liefde. En in het licht van man-vrouwverhoudingen zie je in een etentje in een experimenteel restaurant – de man heeft daar heel andere ideeën over dan zijn vrouw – een beklemmende, existentiële ervaring.

Negeer dus vooral de merkwaardige mededeling van Van den Brink in het nawoord: ‘De verhalen in deze bundel zijn los van elkaar ontstaan; het verdient aanbeveling om ze ook zo te lezen.’ In weerwil daarvan is Het ontbijtbuffet een zeer hecht samenhangende bundel – misschien zonder dat de schrijver het doorhad? Dat is een van de mooiste dynamieken van het lezen van een bundel verhalen: door te vergelijken ga je beter kijken, en zo vorm en kneed je zelf de samenhang.

De dertien verhalen zijn overigens ongelijksoortig genoeg, zoals je ook hoopt dat een verhalenbundel iets wegheeft van een rijk gesorteerd buffet. En vrijwel elk verhaal is raak – met uitzondering, zou ik zeggen, van het wat al te opgeschroefde verhaal waarin een je-perspectief de vertelling onnodig compliceert en zo op afstand plaatst. In de vorm varieert Van den Brink vaker met succes – telkens trekt iets anders de aandacht, meestal in de vorm, in de manier waarop het verteld wordt. De stijl kun je ‘verzorgd’ noemen, maar helemaal rechttoe-rechtaan zijn ze niet, alsof wat Van den Brink wil vertellen hem dwingt om nét buiten de lijntjes te kleuren, om nooit voorspelbaar te worden.

Aquajoggen

Die kwaliteit vertoont het titelverhaal het beste: over een man en zijn twee kinderen in een all inclusive resort, waar ze ‘gegarandeerd gelukkig’ zullen zijn, een hoop die al snel vervliegt als een blusvliegtuig laag overkomt. Vervolgens weet Van den Brink de nadruk zo te leggen dat metaforische details je meteen opvallen, zonder dat hun veelzeggendheid je in je gezicht schreeuwt. Dat de aquajog-instructeur dezelfde is als de clown van het animatieprogramma – daarmee komen de rafelranden van het vakantieparadijs heel aardig in beeld. Het mooie is: Van den Brink speelt dat niet uit, dat stáát immers al, maar het verhaal schakelt over naar de afwezige moeder, en ook dat eerder in diapositief dan expliciet.

Ook zo ingehouden en daarmee een voltreffer is het verhaal over een gezin dat in Italië verzeild raakt in een volksfeest – waar vader met de kinderen een kijkje gaat nemen: ‘Het zou een unieke ervaring kunnen zijn die ze hier verprutsen door op de kamer te blijven.’ En dan raakt dochterlief zoek in de menigte.

Daar openbaarde zich waar deze bundel ten diepste over ging – nog méér dan over verziekte man-vrouwverhoudingen, die eerder een symptoom zijn dan een oorzaak. Het gaat tóch over vakantie, tenminste: over de naakte toestand die vakantie is, omdat wie weg is van huis gestript is van de zekerheden van alledag. De oude, vertrouwde regels van de beschaving gelden niet meer – een onderwerp waar Van den Brink al vaker mooi over schreef, in zijn roman Dijk (2016) bijvoorbeeld. Op vakantie komen de sluimerende angsten en onzekerheden aan de oppervlakte te liggen, daar staat de mens naakt.

‘En intussen is het helemaal niet erg om van het warme water aan de oppervlakte te genieten. Dat doet hij dus, dat doet hij iedere dag’, zegt Van den Brink er dan nog fijntjes bij.

Lees ook de recensie van Dijk: De wereld heeft geen ijkpunten meer
    • Thomas de Veen