Recensie

Een Hollands gezin in het Derde Rijk

Familiegeschiedenis Aan de hand van haar Hollandse familiegeschiedenis schetst Ingrid Hoogendijk een fascinerend beeld van het Oost-Pruisen onder de nazi’s.

Het huwelijk van Truus en Heinrich op het Duitse landgoed Schakenhof in 1936, met links op de foto Johanna en Michiel en derde van rechts Pieter. Foto uit besproken boek

De trouwste abonnees van deze krant woonden in 1944 in Oost-Pruisen. Dat blijkt uit een brief van Johanna Hoogendijk, die op 30 juni van dat jaar op haar landgoed Schakenhof, zo’n tachtig kilometer van Königsberg, aan haar zoon Pieter in Nederland schrijft: ‘Heb je nog gehoord of het Handelsblad niet meer naar hier komt? Ik heb nogmaals voor twee weken betaald, maar wij hebben de krant in geen maanden gehad.’

De Duitsers zijn dan op de terugtocht van het oostfront, op de hielen gezeten door het Rode Leger. Burgers stellen evacuatieplannen op, al verbieden de nazi-autoriteiten hen te vluchten, op straffe des doods. Maar op Schakenhof lijkt niemand hier iets van te merken: het gaat er over de hooi- en roggeoogst, de aardappelen, de bieten en het winterzaad. Alsof de oorlog ver weg is en zich sinds D-Day vooral in het Westen afspeelt. Niemand beseft dan nog dat velen de naderende Russische nachtmerrie niet zullen overleven.

Het landgoed Schakenhof vormt de kern van Ons gaat het in ieder geval nog goed. Een Nederlandse familie in Oost-Pruisen 1920-1946, geschreven door Ingrid Hoogendijk (1948), een dochter van Pieter. Op ingenieuze wijze heeft zij de uitgebreide correspondentie van haar grootouders, hun twee zoons en vijf dochters en een handvol familievrienden aan elkaar geregen om haar familiegeschiedenis te reconstrueren. Het is het veelbewogen verhaal geworden van een Hollands gezin in het Derde Rijk, dat zich deels door de nazi’s laat verleiden en deels van die nazi’s walgt. Daardoor krijg je een vrij uniek inkijkje in het dagelijks leven in Hitlers Duitsland door Nederlandse ogen.

Avontuurlijke grootvader

In allerlei opzichten doet dit boek aan Alexander Münninghoffs De stamhouder denken. Ook in Hoogendijks relaas is de grootvader, Michiel Hoogendijk (1884-1946), een succesvolle avonturier, die garen spint bij de Eerste Wereldoorlog. Als Duitsland na 1918 gebrek aan grond- en hulpstoffen heeft, verkoopt hij een treinwagon met Engelse stoffen aan een Duitse wolfabriek. Vanwege de geldontwaarding laat hij zich betalen met een kasteel in de buurt van Dresden, dat hij in 1922 verruilt voor het Oost-Pruisische riddergoed Schakenhof. Vanaf dat moment staat Michiel aan het hoofd van een 500 hectare groot boerenbedrijf.

Uit alles wat de familieleden aan elkaar schrijven kun je opmaken dat ze een idyllisch bestaan leiden. Schakenhof met zijn mooie natuur, de nabije Oostzee en het paardrijden is het paradijs. Voor Michiel geldt dat ook in seksueel opzicht, want hij heeft er een openlijke verhouding met zijn secretaresse, terwijl hij niet minder om zijn echtgenote geeft. De verontwaardigde brieven van Pieter over die buitenechtelijke relatie laten Michiel zien als een autoritaire vader, die vindt dat zijn kinderen hem niet de les hebben te lezen.

Aan dat paradijs komt geen einde als in 1933 Hitler aan de macht komt, ook al wil Michiel niets van de nazi’s weten. Net als zijn vrouw en zoon Pieter doorziet hij hun plannen vanaf de eerste dag. Maar behalve Pieter, die in 1937 naar Nederland vertrekt om er aan de VU rechten te studeren, zijn zijn andere kinderen wel vatbaar voor de nazi-propaganda die dagelijks over hen wordt uitgestort. Zo staan de vier oudste dochters vanaf 1939 pal achter de successen van de Wehrmacht. Tot ongenoegen van hun vader trouwen ze ook nog eens met partijgetrouwe Duitsers, waardoor de tweespalt in de familie verder toeneemt. Die spanning tussen de ouders en hun kinderen verleent het boek tot op de laatste bladzijden een beklemmende ondertoon.

Als Hitler Nederland binnenvalt, wordt Michiel gearresteerd. Maar zodra de autoriteiten inzien dat hij als landbouwer nuttiger is voor de Duitse oorlogsproductie dan als gevangene, komt hij vrij. Zijn haat jegens de nazi’s neemt alleen maar toe, wat een weerslag heeft op zijn gezondheid. Daarom probeert hij in 1941, tevergeefs, om Schakenhof te verkopen en terug te keren naar Nederland.

Net als Michiel blijft ook Pieter de ontwikkelingen kritisch volgen. In zijn brieven aan Heinrich, de man van Truus, gaat hij de confrontatie niet uit de weg. Opvallend is hoe deze Keulse kinderarts en gelovige nazi meent dat Pieter het geheel bij het verkeerde eind heeft. Volgens hem valt alle ellende die Duitsland is overkomen te wijten aan de Joden en hun geallieerde bondgenoten, die nu gestraft worden.

De Russen komen

Het tij keert als Hitler de oorlog tegen Rusland begint. Nu bereiken de geallieerde bombardementen ook Oost-Pruisen. Königsberg zal in augustus 1944 in de as worden gelegd. De familie Hoogendijk rouwt om alle bekenden die aan het front omkomen. Pieter, die in Nederland economische sabotage pleegt, ruziet per brief met Jan, die in Hitler gelooft en bij de Wehrmacht wil, maar als Nederlander wordt geweigerd.

Als begin 1945 de Russen Oost-Pruisen binnendringen en een Armageddon ontketenen, waarbij de vrouwen die ze op hun pad tegenkomen worden verkracht en de mannen geëxecuteerd, worden ook de Hoogendijks met de realiteit van de oorlog geconfronteerd. Truus en haar man kunnen niet meer uit Oost-Pruisen ontsnappen en plegen met hun kinderen zelfmoord, Cobi wordt beestachtig verkracht, Johanna bezwijkt aan tyfus, haar man Michiel sterft van uitputting in een Russisch krijgsgevangenenkamp. Je kunt bijna niet geloven dat dit allemaal echt gebeurd is.

Nergens in dit boek spreekt de auteur een oordeel uit. Hoogstens merkt ze op dat de nazi-echtgenoten van haar tantes na de oorlog weliswaar toegaven misleid te zijn geweest door Hitler, maar dat ze het nooit over de moord op de Joden hadden, terwijl ze daar, gezien hun positie, van op de hoogte konden zijn. Medeplichtigheid, verdrongen schuldgevoel en schaamte komen hier genadeloos samen, zonder dat je ook maar een greintje medelijden met deze mannen krijgt. Alleen daarvoor al verdient Ingrid Hoogendijk alle lof.

    • Michel Krielaars