De econoom Paul Hofstra (Tholen, 1954) is sinds 2009 directeur van de Rotterdamse Rekenkamer.

Foto Andreas Terlaak

Ambtenaren in Rotterdam ervaren intimidatie door bestuur

Bestuurscultuur Er wordt geregeld oneigenlijke druk uitgeoefend op ambtenaren in Rotterdam, bijvoorbeeld door wethouders. Dat zegt de directeur van de lokale rekenkamer, Paul Hofstra.

Een intimiderende deelgemeentebestuurder die ambtenaren minutenlang uitkaffert. Een foute aanbesteding die van een wethouder moet worden verzwegen. Tekstwijzigingen en kleurcodes die van rood in groen veranderen in een gevoelig rapport. Een bestuurder die een subsidie laat stopzetten om een persoonlijke vete.

Het zijn anonieme praktijkvoorbeelden van oneigenlijke politiek-bestuurlijke druk op Rotterdamse gemeenteambtenaren. Ze staan in het rapport Werken onder druk van de Rotterdamse Rekenkamer dat deze donderdag is gepubliceerd.

Zeker 250 tot mogelijk honderden gemeenteambtenaren in Rotterdam zijn tussen 2010-2017 vermoedelijk op oneigenlijke wijze politiek-bestuurlijk onder druk gezet, zegt directeur Paul Hofstra van de Rekenkamer. In het rapport wordt gesproken van 7 procent, en nog eens 7 procent van wie er te weinig informatie is om conclusies te trekken.

Het aantal van 250 lijkt misschien beperkt als je bedenkt dat zo’n 4.500 Rotterdamse ambtenaren (soms) met bestuurders en politici werken en de stad in totaal 11.000 voltijds ambtenarenbanen telt. Hofstra: „Ik vind het niet weinig. Getalsmatig valt het mee, maar gegeven de ernst van de zaak is het best veel.”

Vriendjespolitiek

Oneigenlijke politiek-bestuurlijke druk op ambtenaren komt van bijvoorbeeld wethouders, raadsleden, leden van gebiedscommissies en managers. Hofstra: „Ik moest iets doen in strijd met de wet- en regelgeving. Ik moest iets mooier maken dan het feitelijk is. Ik moest iets doen wat in de buurt komt van belangenverstrengeling of vriendjespolitiek. Dát zijn de voorbeelden die terugkomen in ons onderzoek.”

Een grote groep, 19 procent van de ambtenaren, zegt oneigenlijke druk te hebben ervaren. Maar de definitie daarvan in het onderzoek is beperkt tot ontoelaatbare verzoeken én gedrag, zoals intimidaties en zelfs bedreigingen met overplaatsing of ontslag. „Wat vaak als oneigenlijke druk wordt gezien, is het niet opvolgen van ambtelijke adviezen. Ja, dat is een afweging die een bestuurder kán en mág maken. Dat hebben we er allemaal uitgefilterd.”

Bespreekbaarheid

De bestuurscultuur in Rotterdam is ongezond, zegt Hofstra. „Veel ambtenaren ervaren een hiërarchische manier van leidinggeven, waarbij tegenspraak op zijn zachtst gezegd niet op prijs wordt gesteld.” Dat lijkt in Rotterdam sterker te zijn dan in andere (overheids)organisaties in Zuid-Holland en andere regio’s, heeft de Rekenkamer vergeleken. Rotterdam scoort slechter op bijvoorbeeld bespreekbaarheid van en maatregelen tegen oneigenlijke druk. Hofstra: „Dat heeft deels ook met de stad zelf te maken. Rotterdam heeft een heel prestatiegerichte cultuur.”

Daarbij wordt oneigenlijke druk slechts door vier op de tien ambtenaren gemeld, volgens het rapport. Ze willen „geen Don Quichot” worden, denken dat het niet helpt of zijn bang. Hofstra: „Als er gemeld wordt, is dat aan de eerste laag van leidinggevenden. We zien dat daar nauwelijks iets mee gebeurt. Er wordt ook niet of nauwelijks gemeld aan vertrouwenspersonen, die daar echt voor zijn. Men is doodsbenauwd dat meldingen worden doorgezet en de anonimiteit in het geding is.”

Maar van een angstcultuur wil Hofstra niet spreken. „Daar ben ik heel terughoudend in. Ambtenaren zelf hebben het over een angstcultuur in de enquêtes en interviews, maar als onderzoeker ga ik niet zo ver. Daar is te weinig bewijs voor.”

Meer veiligheid

De Rekenkamer roept het college van Rotterdam op te werken aan een „open cultuur” en minder „instrumentele sturing”. Meer voorlichting over melden en het waarborgen van de veiligheid van melders, is een andere aanbeveling. Met trainingen en meer discussie over druk moet er meer aandacht komen voor incidenten en ‘grensgevallen’.

Maar het college neemt maar een beperkt deel van de aanbevelingen over, staat in het rapport. Het college zegt „grote waarde” te hechten aan het „thema integriteit” en „bestuurlijke en ambtelijke druk”. Tegelijkertijd herkent het college de beschreven hiërarchische managementstijl niet. Omdat de individuele meldingen niet zijn uitgezocht, benadrukt het college dat het gaat om vermoedelijke, of onbewezen incidenten.

Ook noemt het college het Rekenkamer-onderzoek niet representatief omdat er geen „aselecte steekproeven” zijn gedaan.

Kritiek op methodiek

Dat klopt, zegt Hofstra, en dat had hij het college al uitgelegd. De héle populatie van 4.500 ambtenaren (vanaf salarisschaal 10) is geënquêteerd. De respons was met 50 procent „extreem hoog” en ook representatief, volgens hem. Daarnaast zijn veertig ambtenaren geïnterviewd en was een wetenschappelijke ‘klankbordgroep’ betrokken.

De kritiek op de methodiek is een manier om dit gevoelige thema te bagatelliseren, staat in harde bewoordingen in het rapport. De Rekenkamer spreekt van „miskenning van bijvoorbeeld het gevoel van onveiligheid dat wel degelijk bestaat”.

„Dit alles is tekenend voor de in het onderzoek waargenomen afstand tussen gemeentelijke leiding en werkvloer en voor het ontbreken van een cultuur waarin tegenspraak wordt gewaardeerd”, staat er.

„Je ziet ongemak terug in de reactie van het college”, zegt Hofstra zelf. „Het thema moet wel erkend worden en die erkenning is nog niet. Er is nog een lange weg te gaan.”

Lees de reconstructie van de totstandkoming van het nieuwe college in Rotterdam
    • Eppo König