Opinie

    • Frits Abrahams

Schok van sterfelijkheid

Hoeveel er dezer dagen ook over voetbal gepraat wordt, de naam Tinus Bosselaar zal daarbij niet gauw vallen. Bosselaar is sinds 6 juni dood en ook dode voetballers worden snel vergeten, tenzij ze Cruijff heten.

Toch heb ik in een hoekje van mijn geheugen een speciale plek voor hem gereserveerd. Daar zal hij blijven opduiken, zoals hij ook de afgelopen jaren al onregelmatig deed. Niet zozeer omdat hij een goede voetballer was, maar vooral omdat hij voor mij een metafoor was geworden voor iets heel anders, iets dat met een prijzenswaardige levenshouding te maken had.

Misschien overschat ik hem daarmee. Dat is goed mogelijk, want eigenaardig genoeg weet ik nauwelijks iets van hem af. Ik heb zijn voetballoopbaan die zich in de jaren vijftig en zestig afspeelde, alleen vanuit de verte kunnen volgen.

Hij voetbalde in Rotterdam, vooral voor Sparta, ik woonde in Venlo. Als jeugdige supporter van VVV zag ik hem enkele keren per jaar voetballen. Hij was een bekende speler, maar geen beroemdheid. Ik had in die jaren het voorrecht bekendere spelers als Faas Wilkes, Abe Lenstra, Cor van der Hart, Coen Moulijn en Frans de Munck in actie te zien.

Tinus Bosselaar stond in de schaduw van zulke sterren. Hij was niet, zoals zij, uitzonderlijk goed, maar wel goed genoeg om als aanvaller (vaak linksbuiten) zeventien wedstrijden voor het Nederlands elftal te spelen. Om een indruk te geven, dit waren de spelers van het Nederlands elftal die op 14 maart 1956 in Düsseldorf met 2-1 verrassend van de toenmalige wereldkampioen West-Duitsland wonnen: De Munck, Wiersma, Kuys, Notermans, Van der Hart, Klaassens, Appel, Bosselaar, Koopal, Lenstra, Timmermans.

Bosselaar was mij bij de wedstrijden van Sparta in Venlo opgevallen als een frisse, dynamische aanvaller, een goede dribbelaar ook. Hij speelde met veel toewijding, maar zonder gemeenheid. Kortom, een sympathieke, talentvolle speler, zoals er wel meer zijn. Wat maakte hem in mijn ogen toch zo bijzonder?

Dat heeft met een andere herinnering te maken. Je zag als jonge supporter je helden zelden buiten het veld, tenzij ze een sigarenwinkel hadden zoals Jan Klaassens op de Parade, een drukke uitgaansstraat in het centrum van Venlo. Op een middag zag ik op diezelfde Parade een groepje van drie, vier opgewekte jonge mannen lopen. Tinus Bosselaar was één van hen. Wat deden ze daar? Waren ze op bezoek geweest bij Klaassens?

Ik weet het niet. Ik herinner me alleen nog dat Bosselaar in burger hetzelfde aangename elan toonde als op het veld. Een goedlachse, enthousiaste man die uit alle poriën levenslust uitstraalde. Zo speelde hij en zo gedroeg hij zich kennelijk ook buiten het veld. Geen verwende, humeurige vedette, maar een jonge vent die mijn oudere broer had kunnen zijn. (Bosselaar was van 1936, tien jaar ouder dan ik.)

Dat beeld is voor mij altijd aan die tijd verbonden gebleven. In een in memoriam in de Volkskrant van Peter de Waard las ik nu dat Bosselaar in een verpleeghuis in Capelle aan den IJssel is overleden. „Zijn dementie weerhield hem te gaan drinken en eten op eigen kracht na een galblaasoperatie.”

Die zin trof me diep. Er bestaat zoiets als een schok van herkenning, maar dit voelde meer als een schok van sterfelijkheid.

    • Frits Abrahams