Onderwijsraad: versimpel financiering van onderwijs

Advies Waar gaat die 30 miljard voor onderwijs nu precies heen? De Onderwijsraad doet aanbevelingen om de financiën te verhelderen.

Foto Lex van Lieshout/ANP

De financiering van het onderwijs moet worden vereenvoudigd. Dat bepleit de Onderwijsraad in een door de Tweede Kamer gevraagd advies. De Kamer zou, aldus de raad, terughoudender moeten zijn om het onderwijs geld met een specifiek doel te geven.

De overheid heeft nu te weinig inzicht in de manier waarop de instellingen jaarlijks de 30 miljard euro aan onderwijsgeld uitgeven. De systematiek is „complex en versnipperd en weinig informatief”, aldus Henriëtte Maassen van den Brink, voorzitter van de Onderwijsraad, die het advies woensdag voor de Tweede Kamer toelichtte.

In het politieke debat circuleren niet zelden verschillende bedragen, afhankelijk van de geraadpleegde bron, zei ze. Zo zouden volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek de uitgaven voor het primair onderwijs per leerling dalen, terwijl het ministerie zegt dat die stijgen.

Vanaf 1992 is geleidelijk in het hele onderwijs, van de basisschool tot de universiteit, de lumpsum ingevoerd. Dat betekent dat onderwijsbesturen niet meer elke losse uitgave bij de overheid hoeven te declareren, maar een vast bedrag krijgen om goed onderwijs te verzorgen. Naast die lumpsum zijn er geoormerkte bedragen, voor bijvoorbeeld drieduizend extra arbeidsplaatsen voor jonge leraren. Omdat die geoormerkte bedragen in de grote pot terechtkomen, blijkt geregeld dat scholen ze voor andere doelen hebben uitgegeven: een nieuw gebouw bijvoorbeeld, of de gasrekening. Vaak is dat niet meer na te gaan, wat veel debat in de Tweede Kamer oplevert.

Beleidsresistent

Ondanks de kritiek wil de Onderwijsraad vasthouden aan de lumpsumfinanciering. De Tweede Kamer moet terughoudender zijn met oormerken, vindt de raad. Besturen gaan zich er ook tegen verzetten; ze worden „beleidsresistent”, aldus de raad. Als de Kamer toch geld met een gericht doel geeft, voor bijvoorbeeld ‘innovatie’ of ‘tijdelijke impulsen’, moet ze ook duidelijk aangeven hoe de besteding ervan verantwoord moet worden.

Het externe toezicht moet de Tweede Kamer overlaten aan daarvoor aangewezen instanties, zoals de NVAO, de accreditatie-instelling voor het hoger onderwijs. Direct betrokkenen als ouders, leerlingen en studenten moeten een grotere rol krijgen in de controle op de instellingen, vindt de raad.

Interne toezichthouders en medezeggenschapsraden moeten worden geprofessionaliseerd, bepleit de Onderwijsraad. Ze moeten een beroep kunnen doen op een onafhankelijke instantie, een regionale rekenkamer bijvoorbeeld, die het financiële beleid van een instelling moet kunnen onderzoeken.

De Inspectie van het Onderwijs zou moeten toezien op de interne verantwoording die onderwijsinstellingen afleggen. De verantwoording van besturen in jaarverslagen kan eenduidiger worden door bijvoorbeeld identieke software te gebruiken voor de financiën, en die uitkomsten aan algemene standaarden te toetsen.

    • Maarten Huygen