Dichterlijke vrijheden

Woordhoek

In één ding is de CPNB in ieder geval geslaagd: het gedicht ‘De moeder de vrouw’ van Martinus Nijhoff ligt opnieuw onder de loep. Waardoor Jos Joosten, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, opmerkte dat er feitelijk iets niet klopt in dit gedicht. Nijhoff beschrijft dat hij naar Bommel (lees Zaltbommel) gaat om de brug te zien. Liggend in het gras hoort hij er een schippersvrouw psalmen zingen.

Joosten, zelfs een schipperskind, schrijft in het onlinetijdschrift Neerlandistiek: „Volgens mij werd er nog nooit gewezen op het volstrekt onaannemelijke van juist deze ervaring. In werkelijkheid had Nijhoffs ‘moeder’ een flinke geluidsinstallatie ter beschikking gehad moeten hebben om met gezang op de rivieroever hoorbaar te zijn. De Waal is de breedste rivier van het land, met gemiddelde breedtes (afhangend van de waterstand) van 200 tot 400 meter. Het schip vaart buiten de kribben in de vaargeul, dus een flink eind van de oever vandaan. Feitelijk is Nijhoffs beeld onmogelijk.”

En inderdaad, Nijhoff permitteerde zich een dichterlijke vrijheid. Diverse zelfs. Want hij was niet zelf naar Bommel gegaan om de brug te zien die daar half november 1933 was geopend, maar zijn vriend Hans Philips.

Toen Hans op Tweede Kerstdag over de brug liep, hoorde hij op het dek van een voorbijvarend schip een vrouw psalmen zingen. Hans vertelde dit op 3 april 1934 aan Martinus toen zij samen een fietstochtje maakten van Utrecht naar Jutphaas. Veertien dagen later verraste Nijhoff zijn vriend met ‘De moeder de vrouw’.

Peter-Arno Coppen, eveneens hoogleraar in Nijmegen, keek ook nog eens naar het gedicht. In het dagblad Trouw wees hij erop dat Nijhoff de grenzen van de Nederlandse grammatica een beetje oprekte met de versregel: „En wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren” (een zin, aldus Coppen die „in essentie” op dezelfde manier in elkaar zit als ‘De dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier’, uit „het verguisde Koningslied”).

Nijhoff rekte nog iets anders op, namelijk de uitdrukking moeder de vrouw. Door er het lidwoord ‘de’ voor te zetten werd dit van iets onbepaalds iets heel specifieks. De zingende vrouw doet Nijhoff denken aan zijn moeder: „O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.” Zij was overigens geen schippersvrouw, maar als soldate van het Leger des Heils zong zij wel stichtelijke liederen.

Nijhoff heeft de uitdrukking moeder de vrouw dus niet zelf verzonnen, zoals sommigen menen. Deze informele uitdrukking voor ‘vrouw des huizes’, ook gebruikt als koosnaam, bestaat sinds het midden van de negentiende eeuw. In een van de vroegste vindplaatsen, Proeve van Platamsterdamsch van Jacob van Lennep uit 1845, zegt een man tegen een kroegbazin: „Gen avend, moeder de vrouw!”

Aanvankelijk vinden we moeder de vrouw vooral in het werk van mannen, later ook bij vrouwen, met Johanna van Woude als een van de eerste. In 1888 schreef zij, in Hollandsch Binnenhuisje: „Trouwens, welke tijd van den dag is aangenamer dan dat kalme, rustige samenzijn met moeder de vrouw, die stil zit te knutselen of u van hare goede gaven voorzet.”

Er was een vrouw voor nodig om de mannelijke tegenhanger te benoemen. In 2013 schreef Elizabeth Steinz in haar roman En een nacht: ,,Dan een sigaret en terug naar moeder de vrouw in zijn, of vader de man in mijn geval.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders
    • Ewoud Sanders