Dansen langs Bachs baslijnen

Julidans Met musicus Jean-Guihen Queyras ‘belichaamt’ choreograaf Anne Teresa De Keersmaeker de beroemde Cello Suites van Bach.

Jean-Guihen Queyras Foto Anne van Aarschot

In Bachs muziek herkent ze de eeuwige cirkelgang van het getal acht, die van binnen naar buiten beweegt en vice versa, zoals het lichaam van een danser. Op zijn zes Cello Suites schiep choreograaf Anne Teresa De Keersmaeker haar voorstelling Mitten wir im Leben sind. De titel verwijst naar de eerste twee woorden van het gregoriaanse gezang Media vita in morte sumus, midden in ons leven zijn we door de dood omgeven.

„Ik geloof dat de oneindigheid ons voortbrengt, en dat we ten slotte naar haar terugkeren”, zegt De Keersmaeker. „En door de kunst kan de mens zich tot dat mysterie verhouden. De schoonheid van Bach is dat hij hemel en aarde weet te verbinden. Zijn oeuvre bezit een tijdloos karakter, een polsslag die nergens begint of ophoudt: zij overstijgt de duur van onze levens.”

Aan de kleine tafel tegenover haar in Gent knikt cellist Jean-Guihen Queyras, een van de beste vertolkers van deze solo-suites. Hij begon eraan op zijn tiende met de ‘Bourrée’ uit de Derde Suite. Acht jaar later raakte hij verstrikt in wat kenners wel de bijbel van de cello noemen. Lange tijd worstelde hij ermee.

„Bach bouwde een paleis in de woestijn”, verklaart Queyras. „Uit de eenzame stem van de cello verrijzen onvoorstelbaar rijkgeschakeerde gangen, zalen en kamers waarin je kunt blijven dwalen. Daar kon ik niet mee omgaan. Totdat iemand me aanried te luisteren naar zijn gezongen stukken.”

Dat bleek voor Queyras de sleutel tot de suites. „Als instrumentalisten leren wij vooral alle noten foutloos te spelen. Vaak vergeten we om zinnen te formuleren. Maar Bach vertelt in de eerste plaats een verhaal. Ook zijn suites verkennen gebieden waar woorden niet kunnen doordringen. In Duitse muziek is de retorica, de welsprekendheid belangrijk. Want de taal zelf heeft veel nadruk en stuitert. De ene keer zijn woorden of lettergrepen gewichtloos, de andere keer boren ze zich in de grond. Misschien zouden musici wat zeggingskracht betreft vaker naar dansers moeten kijken: hoe licht ze zweven, hoe krachtig ze de vloer raken.”

Ultiem instrument

De Keersmaekers choreografie oogt tijdloos als Bachs muziek. Voor elk stuk trekt zijzelf – met een van haar kwartet dansers – geometrische figuren op de vloer. In de eerste vier suites blijft op het toneel telkens één danser over. Rondom de musicerende Queyras ontvouwen het lichaam en de oogopslag Bachs verhaal, in een mengsel van abstractie en emotie die zijn noten kenmerken.

De Vijfde Suite speelt Queyras alleen, waarna bij het slotwerk alle dansers het podium betreden en de extentiële eenzaamheid van de voorbije uren wegvloeit. De voorstelling bevestigt het aloude beeld dat de waarheid doorgaans eenvoudig en elegant van aard is.

„Grote componisten proberen de mens met het universum te verbinden”, zegt Queyras. „Beethoven en Bach hadden kunnen uitblinken in tranentrekkers, verbazende melodieën die ons ontroeren. Dat deden ze ook in hun langzame delen. Maar ze streefden naar meer. Ze wilden ons verheffen. En dus componeerden ze muziek die de som van menselijk leven op deze planeet overtreft.” De Keersmaeker reageert: „Er bestaat een gevoel als mens te behoren tot iets wat groter is dan wijzelf. Die intuïtie kun je dikwijls niet benoemen. Voor mij heeft dit niks te maken met religie. Je kunt atheïst zijn en niettemin toch zo’n overtuiging koesteren.”

Queyras beaamt haar woorden. „Ik denk dat iedereen zulke tegenstrijdigheden kent. De Franse cellist Paul Tortelier zei eens: ‘Bach is het beste bewijs van het bestaan van God, in wie ik niet geloof.’”

De Keersmaeker lacht. „Bach blijft in zoveel opzichten wonderbaarlijk. Zijn werk verenigt zoveel tegenstellingen. Behalve de grote helderheid, de muzikale orde, meandert onder die lagen een maalstroom van gevoelens: vreugde, woede, troost, mededogen en op zijn tijd ook humor. Universele abstractie stuit op chaos in de menselijke ziel. Toch blijft alles retorisch, welsprekend.”

Queyras: „De welsprekendheid van wat je niet in woorden kunt vatten.”

De Keersmaeker: „Ik las eens een mooi citaat, maar weet niet meer van wie. ‘Als je iets wilt zeggen, gebruik het woord. Lukt dat niet: zing het. En wanneer dat niet werkt, dans het.’ Ons lichaam is het ultieme instrument voor expressie. Dit lijf draagt de herinnering aan de emoties uit mijn eigen bestaan en – denk ik – eveneens die van mijn voorouders.”

Verborgen baslijnen

Als choreograaf wilde ze de muziek van Bach ‘belichamen’, waar Queyras zocht naar een manier om de bewegingen van haar dansers te verklanken. Het werd een leerzame dialoog. „Jean-Guihen toonde me verborgen baslijnen, die voor mij uitgroeiden tot een belangrijke inspiratiebron”, zegt De Keersmaeker. „Ik wil me in de noten verankeren. Als choreografen denken wij in termen van zwaartekracht, het beeldhouwen van ruimte door handen, voeten en, heel belangrijk, je blik. De beweging gaat van buiten naar binnen, en andersom. De verticaliteit van de ruggenwervel bepaalt het postuur van de mens. Handen en voeten zijn de uitersten. Dans is in zekere zin bewegende architectuur.”

Het werken met dansers bracht Queyras andere inzichten in muziek, die hij in meer dan veertig jaar grondig dacht te kennen. „Ik ontdekte plotseling een ander centrum van zwaartekracht. Het laat zich vergelijken met de geboorte van mijn eerste kind. Er overkwam me destijds niet alleen iets nieuws, maar van het ene op het andere moment zag mijn heelal er anders uit. Ik was er niet langer het middelpunt van. Die plek nam mijn kind in. En datzelfde gebeurt me nu bij de suites. De betekenis van de noten verschuift, waarna nieuwe dimensies zich openen.”

Mitten wir im Leben sind/Bach6Cellosuiten. 9/7 & 10/7 in Stadsschouwburg Amsterdam. Door een blessure zal De Keersmaeker niet zelf dansen, ze wordt vervangen door Femke Gyselinck. Inl: julidans.nl
    • Joost Galema