Nu wonen er gewoon mensen in het huis uit Truman Capotes ‘In Cold Blood’

Schrijver Auke Hulst bezoekt huizen die beroemd of berucht zijn. Omdat er een lugubere, viervoudige moord gepleegd is bijvoorbeeld.

Truman Capote bij het huis in Holcomb (VS) waar in 1959 Herb Clutter en zijn gezin op lugubere wijze werden vermoord. Capote schreef er zijn beroemde boek 'In Cold Blood' over. Foto Getty Images

Het zal ergens midden jaren tachtig zijn geweest, tijdens een Veronica Meimaand Filmmaand, dat ik Lawrence Kasdans The Big Chill (1983) zag, een melancholisch verhaal over studievrienden die na jaren weer bij elkaar komen voor de begrafenis van één van hen. Een luchtige ensemblefilm, ondanks thema’s als zelfmoord, oorlogstrauma en gefnuikte verwachtingen, die bovendien de opkomst van een generatie acteurs markeerde: William Hurt, Jeff Goldblum, Tom Berenger en Glenn Close. En dan was Kevin Costner, die de ondankbare rol van lijk had, ook nog eens uit de definitieve versie geknipt. Dat The Big Chill zo’n onuitwisbare indruk maakte op deze (te) jonge kijker – ik was een jaar of elf – kwam vooral door het huis dat ze die week delen, een personage op zich; een imposante houten villa omringd door eikenbomen, op een landtong die aan drie kanten is begrensd door moeras.

Dat huis bestaat nog, al had het niet veel gescheeld. Het heet Tidalholm en ligt in het historisch district van Beaufort, South Carolina, in een gebied dat The Lowcountry heet. Het werd in 1853 in opdracht van slavenhouder Edgar Fripp gebouwd, en deed tijdens de burgeroorlog dienst als hospitaal van de noordelijke troepen – de deuken in het stalen toegangshek zouden het resultaat zijn van hun schietoefeningen.

Het huis waar in 1983 The Big Chill werd opgenomen, de film over studievrienden die bij elkaar komen voor de begrafenis van een van hen. Tidalholm wordt momenteel verbouwd. Foto Auke Hulst

Wat ik vandaag aantref is half karkas, half gebouw. Ik wandel een stukje het moeras in om stiekem een foto te maken en kan zo naar binnen kijken. Een grote kraan steekt zijn stalen snuit in de bovenverdieping, arbeiders lopen af en aan met balken en planken. De eiken staan onverminderd pal, behangen met engelenhaar van Spaans mos.

Wanneer ik via het toegangshek het erf betreed, raak ik in gesprek met voorman Arthur Aquilato, een bonkig heerschap met een handdruk als de spreekwoordelijke bankschroef en een donkere zeemansbaard. Het huis heeft vier jaar lang te koop gestaan, zegt hij, om in 2017 eindelijk verkocht te worden voor „slechts” 1,76 miljoen dollar. „De vraagprijs was 4,5 miljoen maar de zaak verkeerde in dubieuze staat omdat het de eigenaresse, die in de 90 was, niet zoveel meer kon schelen. Ze liet hooguit wat lapwerk verrichten als er een lekkage was. Dit pand is als een Victoriaanse villa gebouwd, maar door de jaren organisch gegroeid naar een meer koloniale stijl. We verbouwen het voor de nieuwe eigenaar, een ontwikkelaar uit New York, alles high-end, met de beste materialen. De deadline is krap, want hij wil hier dit najaar met zijn geliefde trouwen. Laat ik het zo zeggen: we zijn op schema… maar net aan. Dus mijn humeur is zo-zo.”

De trailer van The Big Chill.

Ik ben zeker niet de enige die naar het huis komt kijken, zegt hij. Er is een voortdurende stroom pottenkijkers, allemaal dankzij The Big Chill. „Soms zijn ze verschrikkelijk brutaal. Dan komen ze door het moeras gebanjerd of ze klimmen over het hek. Ze gaan soms gewoon het huis binnen, alsof het van hen is. En dan heb ik het niet over jongelui, hè? Maar over gepensioneerden. Soms ontplof ik, maar er zijn ook momenten dat je met de hand over het hart moet strijken. Laatst kwam hier een veteraan die op het nabijgelegen Parris Island was gestationeerd toen de film gedraaid werd. Hij wilde het zo graag voor zijn dood van binnen zien. Hij leek me ernstig ziek, dus wat zeg je dan? Dan zeg je: ‘Kom maar binnen, chef’. Het is een schitterend pand, maar ik zou hier nooit willen wonen. Vanwege die mensen. Je wilt dat een huis je thuis is en geen publiek bezit. Toch?”

Ik zou zeggen: ja. En toch heb ik op mijn reizen vele huizen bezocht die om uiteenlopende redenen beroemd of berucht zijn. Huizen met een ziel, hoe antropomorf die gedachte ook is. Waar de drang vandaan komt om deze huizen te bezoeken? Om dichter in de buurt van de geschiedenis en de kunst te komen die met die huizen wordt geassocieerd, denk ik. En op een bepaalde manier ook dichter bij mezelf.

Wat is een huis eigenlijk? Het is, na onze eigen huid en onze kleren, een derde huid, een beschermlaag die ons isoleert van de elementen. Het is een mini-universum dat we naar onze hand kunnen zetten; de plek waar we onszelf kunnen zijn, alleen of met onze naasten, en waar we ons onbespied wanen. Waar we kunnen dagdromen. En soms dromen we dan van een ander huis, een droomhuis dat we, zo nemen we ons vergeefs voor, zelf zullen bouwen, de ultieme expressie van onze autonomie.

Maar een huis kan ook een gevangenis zijn. Onveilig. Of een bron van ordinaire frustratie: het lekt, het tocht, het is te klein, het is te duur, het drukt ons dagelijks met de neus op het feit dat we er maar weinig van gebakken hebben in het leven. We zijn erin vastgelopen.

En soms, heel soms, is een huis alleen maar zichzelf, allang in de steek gelaten en overgeleverd aan de elementen. Zelfs die huizen – een verzameling dode materialen – hebben persoonlijkheid.

American Gothic House

Het op één na beroemdste huis van Amerika staat in Eldon, Iowa. Het American Gothic House ontleent zijn naam aan het gelijknamige doek van de schilder Grant Wood, die in 1930 zijn zus en zijn tandarts voor een 19de-eeuwse woning parkeerde, beiden voor de gelegenheid in protestantse boerenkleding gestoken. Het duo oogt diep ongelukkig: de vrouw kijkt net langs ons, wanhopig haast, de man kijkt ons door een ronde bril recht aan, een benepen trek om de mond, een hooivork in de hand. Het is een dubbelzinnig doek, waarin Wood, die in 1942 op 50-jarige leeftijd overleed aan kanker, ruraal en streng religieus Amerika reduceerde tot een iconisch beeld, het meest geparodieerde in de Amerikaanse kunstgeschiedenis.

Inmiddels is er een kleine industrie rond het doek ontstaan, die zich centreert rond het witte houten huisje. Het is vroeg in de ochtend als ik het terrein op draai – de lucht is grauw, de parkeerplaats leeg. Naast de herkenbare woning is een aantal jaren terug een ontvangstcentrum verrezen dat dienstdoet als tentoonstellingsruimte en museumshop. Ook kunnen bezoekers – zo’n 15.000 per jaar – er kostuums huren voor hun eigen versie van het doek. Het liefst zou ik ín het huis kijken, maar dat is eigenlijk nooit toegestaan, zegt medewerker Holly Berg, die druk is met de voorbereidingen voor de ontvangst van een groep home schoolers. Ze verwijst me door naar Deb Barnes, haar bijna gepensioneerde collega, die best een uitzondering wil maken.

American Gothic House. Schilderij van Grant Wood

We gaan het huis binnen door de achterdeur. Het is een sfeervolle woning die aan vakantiehuisjes doet denken, al zijn de kamers verstoken van meubels. Wel is er gek genoeg een hypermoderne keuken. Omdat ze tot een aantal jaren terug huisbewaarders hadden, legt Barnes uit. „We verhuurden het ooit aan een oude postmeester die mensen binnenliet voor een persoonlijke rondleiding, maar onze laatste huurder, schrijfster Beth Howard, kreeg een burn-out van al die mensen die door de ramen gluurden. Nu verhuren we het niet meer.”

Hoe fameus American Gothic ook is, Grant Wood zelf wordt zelden als een groot schilder gezien. Eerder als een rare snuiter met een onevenwichtig oeuvre. Wood, zoon uit een Quaker-gezin, werd als schilder deels geschoold in Europa, en ontwikkelde zo een cartooneske, platte variatie op de stijl van oude meesters. Zijn werk, dat het spreekwoordelijke fly-over country als onderwerp heeft, toont de conservatieve wereld waar tegenwoordig Donald Trump zijn stemmen haalt. Maar tegelijk was Wood zelf juist politiek progressief en (stiekem) homoseksueel. Dat verklaart misschien ook het ambigue van zijn werk, waarin verschillende mensen, zeker in dit gepolariseerde tijdsgewricht, verschillende dingen kunnen zien.

Het American Gothic House ontleent zijn naam aan het gelijknamige doek van de schilder Grant Wood. Er komen zo’n 15.000 bezoekers per jaar. Foto Auke Hulst

Toch is het platteland van Wood zeker niet het platteland van nu. Barnes vertelt hoe ze twintig jaar terug voor de liefde naar Eldon kwam, tegenwoordig een droevig dorp met dichtgetimmerde woningen en panden met afbladderende verf. „Sinds de Rock Island-spoorlijn is opgedoekt”, zegt ze, „is het dorp gaan afsterven. In de jaren tachtig waren hier nog hotels, een bakker, winkels, noem maar op.” Datzelfde verhaal had ik eerder al in het dorp gehoord van de oude baas die het Rock Island Depot Museum runt. Hij had zijn ontbijtgranen in de steek gelaten en was naar het museum gereden, omdat hij via-via vernomen had dat ik er rondhing. Eindelijk aanspraak! „Waar je nu al die open ruimtes in het stadshart ziet, stonden ooit gebouwen”, zei hij. „De bevolking is gehalveerd sinds mijn jeugd. Al het leven is eruit…”

Truman Capotes ‘In Cold Blood’

Hoog op de lijst van alle huizen die ik wil bezoeken, staat een luguber pand in nietszeggend Holcomb, Kansas. Het was 1959 toen Truman Capote, schrijver van onder andere Breakfast at Tiffany’s, in een krantenberichtje las over het koelbloedig afslachten van een boerengezin. Hij had een nieuw project nodig en rook een goed verhaal. De homoseksuele dandy met de geaffecteerde piepstem trok naar Holcomb in het gezelschap van jeugdvriendin Harper Lee, die dienstdeed als research-assistent en als ijsbreker – waar de stugge bevolking raar opkeek van Capote, was Lee het vleesgeworden sociale smeermiddel. Wat een tijdschriftartikel moest worden, groeide in zeven jaar tijd uit tot een baanbrekende kruising tussen reportage en literatuur, de klassieke ‘non-fictieroman’ In Cold Blood, een portret van een gemeenschap, het omgebrachte gezin van Herb Clutter, maar vooral van de daders, Dick Hickock en Perry Smith. Beide mannen werden na een lange zoektocht opgepakt en veroordeeld tot de galg, waaraan ze na jaren procederen in 1965 hun eind vonden.

De associatie met Capote’s meesterwerk heeft Holcomb op de kaart gezet, maar het ligt te afgelegen om veel toeristen te trekken. De dichtstbijzijnde trekpleister is wildwest-stadje Dodge City, dat op ruim een uur ligt. Ik kom vanuit het zuiden gereden, over de Texas Plains, via de Oklahoma Panhandle, dwars door gebied dat de Dust Bowl van de jaren dertig nooit te boven is gekomen. Het landschap is bezaaid met ruïnes en roestige machines, als stalen beesten achtergelaten in het veld.

Lees ook: Auke Hulst ging terug naar de plek waar Jeff Buckley stierf

„Het dorp Holcomb”, schreef Capote, „ligt op de hoge tarwevlakten van westelijk Kansas, een eenzame streek die andere Kansassers ‘de rimboe’ noemen. Het land, een mijl of zeventig ten oosten van de grens met Colorado, heeft met zijn hardblauwe hemel en woestijnheldere lucht veeleer de atmosfeer van het Verre dan van het Midden-Westen.”

Het dorp, tweeduizend zielen, oogt uitgestorven. De wind heeft vrij spel, en zo nu en dan rolt een pick-up voorbij met een verveelde rancher achter het stuur.

Het moordhuis ligt aan Oak Avenue, een grindweg die haaks staat op South West Street. Waar die twee straten elkaar ontmoeten, splitst een zandweg af, de oprijlaan naar het Clutter-huis. Niet mis te verstane borden, in een drieste hand geschreven, waarschuwen ongenode gasten: dit is privé-terrein, wegwezen! Ik heb gelezen dat in het verleden al te opdringerige pottenkijkers met geweervuur zijn verjaagd. Dan maar een foto maken vanaf het begin van de oprijlaan? Een vriend van me postte er zo eentje op Facebook, een decennium terug genomen vanachter een van de Chinese iepen langs het pad. De horizon stond een tikje scheef – dit was het perspectief van de bespieder. Zo zien de meeste foto’s door literaire pelgrims eruit: gestolen beeld, in haast gemaakt. Niet alleen de geschiedenis, ook het paparazzi-achtige van dergelijke foto’s criminaliseert het huis, hoewel het bouwwerk niks heeft gedaan, net zo min als de huidige bewoners, die hooguit wat opvliegend van aard zijn.

Ik besluit eerst in het dorp informatie in te winnen. Het huis heeft jaren te koop gestaan, dus wellicht wonen er nu mensen die minder trigger happy zijn. Het politiebureau blijkt gesloten, maar bij de Holcomb Recreation Committee weet een oudere dame me te vertellen dat de eigenaresse van het Mexicaans restaurant aan Main Street de weduwe is van de zoon van de huidige bewoonster. Misschien dat zij me meer kan vertellen? Wanneer ik even later parkeer bij El Rancho, word ik buiten aangesproken door een potige twintiger met een honkbalpetje en een tongval met prairie-accent. „Ben jij de schrijver? Er werd net al gebeld. Ga het restaurant maar niet binnen. Komen praatjes van.”

Zijn naam is Casey en de huidige bewoner van het Clutter-huis is Casey’s oma. „Zij gaat je nooit binnenlaten”, weet Casey. „Jezus, ik kom er niet eens meer binnen. Ik had je er graag heen gebracht, maar de familie heeft me verstoten. Een kwaaie, mijn oma. Toen mijn vader veel te jong overleed had-ie een miljoen op de bank. Mijn oma moest en zou dat geld krijgen. Een heel drama…”

In 2006, heb ik gelezen, was het huis te koop gezet, maar er kwam geen bod, en inmiddels is het niet meer op de markt. Zijn grootouders hadden geen probleem met de gruwelijke geschiedenis, zegt Casey, maar wel met de Capote-fans op hun erf.

In zijn pick-up gaat hij me voor naar zijn eigen woning, een vervallen pand met een eclectische verzameling rotzooi op het gazon. Daar pleegt hij een telefoontje met een oom die nog op de ranch werkt. „Als je wilt”, zegt hij, „ga dan nu. Er is niemand, zegt mijn oom. Maar blijf in de auto, want er is een mean ass dog op het erf.”

En dus rij ik met de zenuwen in het lijf het zandpad af, tot vlakbij het huis, dat in 1948 ontworpen was door Herb Clutter zelf, ‘die zich daarbij’, aldus Capote, ‘liet kennen als een verstandig en bezonnen, zij het niet bijzonder kunstzinnig, architect.’ Het is opgetrokken uit baksteen in hetzelfde verschoten geel als het gras. Het dak, voorzien van satellietschotel, is nieuw, al het houtwerk zit keurig in de verf, er staat een lantaarnpaal voor de deur en een handvol speeltoestellen op het gazon. Door een opengedraaid autoraampje maak ik foto’s van het huis, van de naastgelegen schuur, van twee vrachtwagens zonder aanhanger in het veld.

Het huis in Holcomb waar in 1959 Herb Clutter en zijn gezin op lugubere wijze werden vermoord. Foto Auke Hulst

Juist de keurigheid maakt dit schuldige landschap zo griezelig. Daarbinnen zijn mensen vastgebonden en in koelen bloede doodgeschoten. Op dezelfde plek waar ooit hun gezinsleven plaatsvond: een moeder met zwakke zenuwen, twee tienerkinderen die zichzelf aan het ontdekken waren, een kreukloze, wat humorloze vader. Er wordt gezegd dat Nancy Clutter, de dochter des huizes, nog altijd rondspookt, maar dat lijkt me onzin. Het is zo al eng genoeg.

Lees meer over Truman Capote: Nooit ontsnapt uit zijn kinderlichaam

Als In Cold Blood iets heeft laten zien, is het dat de verleiding tot fabuleren voor een schrijver groot is, zeker wanneer hij lastig te betrappen valt. De detailrijkdom en de dialogen in het boek waren volgens Capote te danken aan zijn magistrale geheugen, terwijl het eigenlijk zijn dikke duim betrof. Ik zou dat nu ook kunnen doen. Ik zou net kunnen doen alsof ik het huis wel degelijk binnen ben gegaan en beschrijvingen kunnen geven op basis van de paar foto’s die een potentiële koper in 2006 heeft gemaakt. De rode vlek op de keldermuur, het bloed van Herb Clutter! Maar de waarheid is dat ik niet eens uit de auto ben gestapt, bang voor een hond die ik niet gezien heb, en dat ik schrok van een stofwolk op Oak Avenue die een auto aankondigde, een auto die goddank afsloeg, South West Street in. Dat ik na het nemen – stelen – van nog een handjevol foto’s met het hart kloppend in de keel weer het pad ben afgestoven, Holcomb uit, westwaarts richting Colorado. Op weg naar nieuwe bestemmingen, nieuwe huizen, nieuwe verhalen.

Auke Hulst ontving voor zijn boek Motel Songs afgelopen maand de Bob den Uyl Prijs voor beste reisboek.
    • Auke Hulst