Zomer in het donker

Zomerfilms Er zijn vele redenen om in de zomer naar de bioscoop te gaan: om te schuilen voor de regen, of te vluchten voor de hitte. Maar de beste is: om de zon te zien.

In de films van Terrence Malick staat licht voor het goddelijke: hier in ‘The Thin Red Line’.

Het mooiste moment van dé zomerfilm van een paar jaar geleden is als de achttienjarige Mason aan het einde van Boyhood met zijn nieuwe vrienden van de universiteit naar de Big Bend gaat, het natuurgebied in het zuidwesten van Texas, om de zonsondergang te zien. De zon zelf is al achter de bergen verdwenen als ze aankomen. Er is alleen nog dat nagloeiende licht van het magische gouden uur, dat de stenen lichtjes roze kleurt, en de aarde zachtpaars. En nee, dat komt niet door de paddo’s die ze hebben genomen. Maar door de zindering van het licht.

We hebben Mason de voorafgaande tweeëneenhalf uur zien opgroeien van een kleine dromerige jongen (in het eerste shot van de film ligt hij in het gras ook naar de zon en de wolken te staren) tot een jonge man op de grens met de toekomst. Er is de hele film lang niets vergankelijker gebleken dan de tijd, en toch ontspint zich dan het volgende gesprekje tussen Mason en het meisje dat misschien wel zijn nieuwe liefde wordt. Zij: „You know how everyone’s always saying seize the moment? I don’t know, I’m kinda thinking it’s the other way around. You know, like the moment seizes us.” Hij: „Yeah, I know. It’s constant – the moment. It’s just… It’s like it’s always right now.”

Een zonsondergang kan dat effect hebben. De tijd even stilzetten. Het haastige vertragen. Niet alleen in het echte leven, maar vooral in de film. Er zijn vele redenen om in de zomer naar de bioscoop te gaan: om te schuilen voor de regen, of op de vlucht voor de hitte. Maar de beste reden om in de zomer films te kijken is om dat licht te zien. Er zijn complete filmgenres die dat in een filmzaal proberen te herscheppen. Van frivole Amerikaanse strandfilms uit de jaren vijftig en zestig, waarin het licht plakkerig is als een vanille-ijsje. Of het licht-en-bladerspel in de oerwouden in de films van de Thaise filmer Apichatpong Weerasethakul. Of de grillige zomerse coming-of-ageverhalen van de Franse filmmaker Eric Rohmer, in juli centraal tijdens het Zomerfilmcollege van Roffa Mon Amour in Rotterdam. Of in de nieuwe film van Abdellatif Kechiche, Mektoub, My Love: Canto Uno, vanaf 19 juli in de bioscopen, die wel alleen maar lijkt te gaan over de zorgeloosheid die tussen de lichtdeeltjes dwarrelt. Soms, als je geluk hebt, zie je zo’n film tijdens een openluchtvertoning, en dooft het licht op het doek, terwijl achter de horizon langzaam het laatste avondrood wegsterft. Zingt de laatste vogel. Fladdert er een vleermuis langs het scherm.

Het mysterieuze, ongrijpbare natuurlijke licht van het gouden uur vlak voor zonsop- of ondergang is niet voor niets de favoriet van veel cameramensen. Denk maar aan de eindeloze zonsondergangen in de films van Terrence Malick (Days of Heaven,The Tree of Life) of aan de imposante bijna verblindend overbelichte vista’s van de onbarmhartige woestijn in films als Zabriskie Point van Michelangelo Antonioni, Walkabout van Nicolas Roeg en Wim Wenders’ Paris, Texas. Danny Boyle maakte zelfs een hele film over een eindeloze zonsondergang. Zijn apocalyptische sciencefictionthriller Sunshine gaat over de laatste dagen van de zon, en baadt de hele film lang in zoveel vurig oranje dat het wel een nabeeld lijkt. Een visuele echo.

De filmgeschiedenis begon ook met het nabeeld van de zon. Een van de mythes die de ontdekking van de cinema een beetje interessanter maken dan de droge feiten gaat over de Belgische natuur- en wiskundige Joseph Plateau (1801-1883). Plateau werd bekend als de ontdekker van de lichtnawerking, of het nabeeld, het verschijnsel dat een beeld nog een tijdje op het netvlies van het oog kan blijven hangen. Bijvoorbeeld als je te lang naar de zon (of een andere lichtbron) hebt gekeken en dat je dan, als je als reflexbescherming tegen het felle licht je ogen sluit, toch dat licht nog ziet. Geweldig gezichtsbedrog. Naar verluidt zou Plateau deze ‘gezichtstraagheid’ op het spoor zijn gekomen doordat hij zelf bij experimenten met fysiologische optica lang en regelmatig recht in de zon keek. Iets wat hem overigens duur kwam te staan, want hij zou er blind van zijn geworden. Maar niet voordat hij zijn vondst gebruikte voor de uitvinding van de fenakistiscoop, een ronde schijf met een serie opeenvolgende tekeningen, die als een primitieve animatie de suggestie van bewegende beelden teweegbracht. En wat is film anders dan die kwikzilverige illusie?

Er mag dan niets vluchtiger zijn dan licht – licht is alleen maar licht als het ergens op kan schijnen, zei cameraman Robby Müller ooit – en toch wordt in bovenstaand voorbeeld uit Boyhood het licht gebruikt om het tegenovergestelde van vergankelijkheid op te roepen: een paradoxaal tijdloos moment. Zo staat licht vaak voor iets wat je eigenlijk niet kan zien. Het representeert het goddelijke in de films van Terrence Malick; al zijn films kijken wel eens tussen de boomtoppen omhoog naar een licht dat te ver weg is voor je handen.

Even sacraal is het buitenaardse in Steven Spielbergs sciencefictionfilm Close Encounters of the Third Kind, waarin in een onvergetelijke scène de aliens van binnenuit stralen, zodat ze zowel de personages in de film, als de kijkers in de zaal verblinden. En licht, uitgebleekt en verwassen is in zoveel films een heilig herinneringsbeeld, maar nergens droeviger dan in het subtiele clair-obscur van Sofia Coppola’s The Virgin Suicides, een mysterieus verhaal over de zelfmoord van vijf zusjes. Zelfs hun namen verwijzen naar licht en duisternis: de ongenaakbare Kirsten Dunst heet Lux, haar zusje Cecilia, dat van het Latijn voor blind komt. En met de buurjongens die zich hun levens willen herinneren navigeren we als toeschouwers door een zee van onpeilbare lichtgolven.

    • Dana Linssen