Opzeggen na verlenging

De rubriek Economie & recht belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week arbeidsrecht.

Foto Getty Images/iStockphoto

Ze had een contract voor zes maanden – eindigend op 6 mei 2017 – als baliemedewerker bij een tandartspraktijk. Eind april 2017 zei ze tegen haar baas dat ze geen contractverlenging wilde. Begin juni stuurde ze haar werkgever een email waarin ze vroeg om de aanzegvergoeding. Haar werkgever had namelijk niet voldaan aan de verplichting om haar minimaal één maand voor de einddatum van haar tijdelijke arbeidscontract schriftelijk te melden of hij het arbeidsovereenkomst wilde verlengen of niet. De tandartspraktijk weigerde te betalen, waarop de vrouw naar de rechter stapte, die haar gelijk gaf.

De tandartspraktijk ging in hoger beroep. Volgens de praktijk was er eind maart al een gesprek geweest waarin was toegezegd dat het contract onder dezelfde voorwaarden voor twaalf maanden zou worden verlengd. De vrouw zou met de verlenging hebben ingestemd en het was dus de vrouw zelf die terugkwam op de verlenging van het contract. Maar het hof is heel duidelijk: er staat niets op schrift – niets van dat gesprek, niets van de intentie tot verlenging van het contract – en dat is bij wet een vereiste. De tandartspraktijk moet de vrouw de aanzegvergoeding – een maandsalaris – betalen.

Uitspraak: ECLI:GHARL:2018:4783

    • Anne van der Schoot