Recensie

Jack White kan het beter simpel houden

Garagerocker Jack White heeft zijn minder-is-meer-principe laten varen en flirt tegenwoordig met hiphop en dance. Maar vermaak je daar ook een uitverkochte Afas Live mee?

Jack White tijdens zijn concert in Afas Live, maandag 2 juli. Foto: David James Swanson

Het allermooiste cadeau dat Jack White aan de bezoekers van de Afas Live gaf, was een grijs-groen zakje met een slotje erop. Daar moest iedereen verplicht zijn mobieltje in opbergen.

Zo moet dat dus lang geleden zijn gegaan: een geheel techprikkelvrije rockshow waarbij mensen lachen, dansen en gewoon naar het podium kijken in plaats van naar tientallen filmende schermpjes. En voor degenen die echt niet zonder hun dagelijkse dosis Instagramupdates konden, was er nazorg geregeld: zij konden meteen na afloop talloze prachtplaatjes downloaden, geschoten door de huisfotograaf (Jack White - Telefoonterreur: 1-0).

Dat zerotolerancebeleid lijkt perfect te passen bij een analoge purist als White. Alhoewel: muzikaal is hij niet meer zo streng in de leer als in de hoogtijdagen van zijn garagerockduo The White Stripes. Toen was het minder-is-meer-principe (drum-gitaar-zang) heilig. Twee bands (The Raconteurs, The Dead Weather) en drie soloplaten later flirt White steeds opzichtiger met meer-meer-meer. Op het in maart verschenen Boarding House Reach is helemaal niets meer te gek: daar vechten funk, hiphop, drumcomputers, samples en synthesizers om voorrang.

Lees hier de recensie van Whites laatste album: Jack White leeft zich uit in gespierde machoriffs

Die vernieuwingsdrang is natuurlijk toe te juichen. De vraag is alleen: vermaak je er ook een uitverkochte Afas Live mee? Nou, nee dus. In een ijzersterk, bulderend begin (‘Over and Over and Over’ en ‘Lazaretto’ ) bewijst White weliswaar dat hij nog steeds het ultieme talent bezit om kale gitaarloopjes uit te bouwen tot galmende lijfliederen – zo kon White Stripes-wereldhit ‘Seven Nation Army’ uitgroeien tot stadionklassieker van voetbalclub AZ tot Rio de Janeiro. En er is niemand die zijn gitaar zo kan laten snerpen als White. Als hij soleert voel je de vonken om je oren vliegen.

Maar te vaak verzandt de show in een wispelturige kakofonie van overbodig geluid. Hoe hard White in zijn blauwe leren jack ook staat te zweten om boven zijn twee (twee!) keyboardspelers uit te komen, het is vergeefse moeite. De funkjam ‘Corporation’ en de atonale jazzsafari ‘Hypermisophoniac’ zijn namelijk helemaal geen liedjes. Echt wanstaltig wordt het in de mislukte raptrack ‘Ice Station Zebra’: daarin klinkt hij godbetert als Fred Durst van Limp Bizkit. Het doet je snakken naar een simpel gitaarliedje. Of desnoods je telefoon.