Opinie

    • Nik de Boer

De Grondwet: te belangrijk om aan rechter over te laten

Het parlement weet zelf het beste of zijn wetten passen bij de Grondwet, betoogt . Duitsland en Amerika tonen wat er kan gebeuren als rechters het laatste woord krijgen.
llustratie Hajo

Ook de Nederlandse rechter zou wetten moeten kunnen toetsen aan de Grondwet. Dat betoogde Christiaan Alberdingk Thijm in NRC (‘Onze Grondwet is een doods instrument’ 28/6). Daarmee steunt hij het recente voorstel van de staatscommissie parlementair stelsel (‘commissie-Remkes’) voor invoering van constitutionele toetsing. Dat is echter een slecht idee. Toetsing is ondemocratisch en maakt van de Grondwet een document van rechters en juridische experts.

Constitutionele toetsing geeft rechters het laatste woord over de uitleg van de Grondwet in plaats van de wetgever – het parlement – zelf. Dat levert een democratisch probleem op. In tegenstelling tot parlementsleden zijn rechters niet democratisch gekozen en kunnen zij niet via verkiezingen ter verantwoording worden geroepen. Tegelijkertijd zijn de meeste grondwettelijke bepalingen sterk onbepaald: ze laten ruimte voor redelijke politieke meningsverschillen. Dat maakt democratische discussie over de uitleg van de Grondwet cruciaal. Maar bij invoering van constitutionele toetsing krijgt de rechter over tal van fundamentele maatschappelijke kwesties het laatste woord.

Column Tom-Jan Meeus Rutte III en de conserverende krachten in Den Haag

Alberdingk Thijm acht zulke democratische zorgen over constitutionele toetsing onterecht. Dat ziet hij verkeerd. In Duitsland en de Verenigde Staten, twee landen met sterke vormen van constitutionele toetsing, belanden de meeste controversiële politieke vraagstukken uiteindelijk voor de rechter.

Vorige week kondigde de Amerikaanse rechter Anthony Kennedy zijn vertrek uit het Amerikaanse Hooggerechtshof aan. Dat geeft president Trump de mogelijkheid om een conservatieve rechter te benoemen die de balans van het Hooggerechtshof voor decennia naar rechts zal verschuiven.

Ongebruikelijk invloedrijk

De politieke inzet is enorm. Terecht vrezen de Democraten dat progressieve verworvenheden op het gebied van abortus, homorechten, positieve discriminatie voor achterstandsgroepen, milieubescherming en zelfs het stemrecht op het spel komen te staan. Zo zal Trump een stempel op de Amerikaanse politiek drukken die veel verder reikt dan zijn eigen tijd in het Witte Huis. Niet voor niets schreef The New York Times dan ook dat Trump dankzij deze benoeming waarschijnlijk de geschiedenis in zal gaan „als een ongebruikelijk invloedrijke president”.

Een voorbeeld dichter bij huis is de discussie over hervorming van de eurozone. Macron heeft ambitieuze plannen: meer solidariteit, een Europese minister van Financiën en een gemeenschappelijke begroting voor de eurozone. Zijn plannen zullen niet enkel op politieke bezwaren stuiten, maar ook op constitutionele, zeker in Duitsland.

Tijdens de eurocrisis formuleerde het Duitse Constitutionele Hof in Karlsruhe in een serie controversiële uitspraken grenzen aan verdere Europese integratie. De president van het Hof, Andreas Vosskuhle, stelde in 2011 al dat de ruimte voor verdere Europese integratie onder de Duitse grondwet „waarschijnlijk grotendeels uitgeput is”. Het resultaat is dat fundamentele besluiten over de toekomst van de euro onderworpen zijn aan het oordeel van acht Duitse rechters.

Waardig levenseinde

Ook de Nederlandse Grondwet biedt veel ruimte voor interpretatie. Waar ligt de grens tussen haatzaaien en de vrijheid van meningsuiting (artikel 7)? Is het wetsvoorstel Waardig Levenseinde een verlengde van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10)? Of is het juist onverenigbaar met het recht op onaantastbaarheid van het lichaam (artikel 11) en de menselijke waardigheid, het beginsel dat vaak wordt gezien als bron van alle grondrechten? En in hoeverre staat de vrijheid van godsdienst (artikel 6) in de weg om fundamentalistische religieuze organisaties aan te pakken? Nu beslist het parlement erover.

Alberdingk Thijm en de staatscommissie stellen dat de Nederlandse Grondwet een doods instrument is. Dat lijkt alleszins mee te vallen. Bovendien is constitutionele toetsing geen oplossing. Evenmin als de staatscommissie geeft Alberdingk Thijm concrete voorbeelden van tekortschietende bescherming van grondrechten in Nederland.

De Rule-of-Law Index van het World Justice Project, die jaarlijks de kwaliteit van de rechtsstaat in 113 landen meet, zet Nederland juist op plek 5, boven Duitsland (plek 6) en meerdere andere landen met constitutionele toetsing. Daarnaast kennen drie andere landen in de topvijf, Denemarken (1), Finland (3) en Zweden (4) een zeer zwakke traditie van constitutionele toetsing.

Sleepwet

In veel maatschappelijke discussies spelen constitutionele waarden bovendien wel degelijk een belangrijke rol. De discussie over Zwarte Piet gaat in de kern over de vraag wat gelijke behandeling vereist. In het debat over de ‘sleepwet’ speelde het recht op privacy een hoofdrol, terwijl in dat over orgaandonatie het recht op lichamelijke integriteit centraal staat.

Alberdingk Thijm noemt een recente uitspraak van het EU-hof over de erkenning van rechten van een homoseksueel echtpaar in Roemenië. Vreemd, want juist Nederland stelde in 2001 als eerste het huwelijk open voor twee personen van hetzelfde geslacht. Daar kwam geen constitutioneel hof aan te pas.

De Grondwet moet een document zijn waarover iedere burger evenveel te zeggen heeft, geen exclusief domein van juristen

Een belangrijk argument tegen constitutionele toetsing is juist dat de interpretatie van de grondwet het exclusieve domein van juristen en rechters wordt in plaats van een document waar iedere burger evenveel over te zeggen heeft.

In Duitsland, dat volgens de staatscommissie model staat voor invoering van constitutionele toetsing, hebben juridische experts en het constitutionele hof een praktisch monopolie op de uitleg van de grondwet. Dat zou voor Nederland geen voorbeeld moeten zijn. De Grondwet is te belangrijk om aan rechters over te laten.

Correctie (3 juli 2018): In een eerdere versie van dit stuk stond dat Nederland op plek 4 op de Rule-of-Law Index staat, en Duitsland op plek 5. Juist zijn respectievelijk plek 5 en 6. Dat is hierboven aangepast.
    • Nik de Boer