‘Werk hoeft niet altijd leuk te zijn’

Arbeidsmarkt Hoe zien Nederlanders de toekomst van hun werk voor zich, wil het ministerie van SZW weten. Veel mensen waarmee over dit onderwerp gesproken wordt, zijn bezorgd.

Illustratie Fokke Gerritsma

„Wat betekent werk voor jullie?” De ruim veertig aanwezigen in het zaaltje van de Buitensociëteit in Zwolle blijven even stil. „Werk is mijn inkomen”, zegt een man voorin de zaal op stellige toon. „Mij brengt het nieuwe contacten en zingeving”, reageert de vrouw naast hem. „Werk is iets doen voor een ander, waarvoor je in geld of natura wordt beloond”, vindt iemand achterin de zaal.

Alle antwoorden worden netjes genoteerd, want dat is precies waarom het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) deze bijeenkomst organiseert – om te horen hoe Nederlanders de toekomst van werk voor zich zien, en wat de overheid met beleid voor ze kan betekenen.

De bijeenkomst in Zwolle is de derde en laatste ‘dialoogsessie’ van deze maand. Eerdere sessies vonden plaats in Den Haag en Eindhoven, iedereen met interesse kon zich aanmelden. Aanleiding is het honderdjarig bestaan van het ministerie van SZW. Onderwerp van gesprek is waar je als werknemer denkt te staan in 2038, of je baan er dan nog is, en zo niet, wat dan je plan B is?

Dagvoorzitter en coördinator Marga Rijerse, die voor het ministerie werkt, merkt dat veel mensen waarmee ze over dit onderwerp spreekt, bezorgd zijn. „Ontwikkelingen als robotisering en vergrijzing gaan zo snel, dat men zich afvraagt of de overheid het wel kan bijbenen. De mensen die ik tot nog toe sprak willen een eerlijkere verdeling van werk – bijvoorbeeld een dertig-urige werkweek, zodat zorgtaken beter verdeeld kunnen worden.”

Twee dagen werken

De bijeenkomst begint met een warming-up van Jan Dirk Gardenier. Hij is eigenaar van advies- en onderzoeksbureau CAB en dagelijks bezig met trends op de arbeidsmarkt. „Er zijn op de lange termijn steeds minder banen, dus mensen zullen ook minder gaan werken”, verwacht Gardenier. „Een deel is wellicht nog fulltime aan de slag, maar voor een grote groep zal het in de toekomst heel normaal zijn wekelijks nog maar twee dagen, of überhaupt niet te werken.”

Dat laatste moeten we niet zo erg vinden, meent Gardenier. Want betaald werk wordt óók minder relevant. „Wij zijn al gewend dat ons inkomen opnieuw verdeeld wordt – onder andere via de AOW, de bijstand of via toeslagen. We vinden het bovendien logisch die herverdeling via ons werk te organiseren. Maar dat kan ook anders, bijvoorbeeld via een basisinkomen.”

Volgens Gardenier is zoiets een must om de samenleving in de toekomst in de lucht te houden. „We vragen op dit moment zoveel van mensen: je moet mantelzorger zijn, carrière maken, een leven lang leren, voor je kinderen zorgen, noem het maar op. Als je wil dat mensen daar de tijd voor nemen, zal de overheid ze daarin moeten steunen.”

Zelf kunnen we volgens Gardenier ook een aantal dingen doen om weerbaarder te worden op een veranderde arbeidsmarkt: wennen aan onzekerheid, en inzien dat werk helemaal niet altijd leuk hoeft te zijn. „We leggen met z’n allen zoveel nadruk op het verwezenlijken van dromen via een baan. Laten we eens een beetje normaal doen. Werk is helemaal niet de belangrijkste manier om van waarde te zijn in de samenleving.”

Dat werk niet altijd gelijk staat aan geld verdienen, blijkt wel tijdens de gesprekken die op het verhaal van Gardenier volgen. In kleine groepjes behandelen de aanwezigen allerlei onderwerpen, zoals hoe je de toekomst over twintig jaar voor je ziet.

„In 2038 ben ik 75”, lacht Lisette Niemeijer, die als specialist bij verzekeringsmaatschappij De Amersfoortse werkt. „Dan doe ik dit werk niet meer, maar ik lever nog wel diensten”, zegt ze. „Die kunnen betaald of onbetaald zijn, maar hebben nog altijd waarde. Misschien maak ik schoon bij de buurvrouw, pas ik op mijn kleinkinderen of geef ik presentaties.”

Niemeijer verwacht dat welzijn een belangrijker onderdeel van welvaart wordt. „Mensen zullen in de toekomst vaker doen waar ze goed in zijn, betaald of onbetaald, en met steun van de overheid.” Zelf heeft ze overigens altijd al een plan B gehad. „Ik werk al 28 jaar voor hetzelfde bedrijf, maar wissel elke drie jaar van functie. Zodra iets routine wordt, haak ik af. Ik blijf dit werk doen zolang ik het leuk vind. Als dat niet meer zo is, ga ik als zelfstandige verder.” Een twintiger merkt op dat het wel héél vaak over het hebben van een plan B gaat. „Ik heb nog nauwelijks een plan A.”

Ideeën uit de vorige eeuw

Fedde Monsma (48), manager werkgeverszaken bij de Bovag, wil vandaag vooral iets opsteken. „Ik ben gepokt en gemazeld op de arbeidsmarkt, maar de beste leerschool is het luisteren naar verhalen van anderen.” Monsma vindt dat de huidige arbeidsmarkt nog te veel steunt op allerlei ideeën uit de vorige eeuw.

Flexwerk, robotisering, vaker wisselen van baan. Wat betekent dat voor de waarde van ons werk?

„Gisteravond werkte ik tot half twaalf ’s avonds door, wat prima is, want ik houd van mijn werk. Maar dat kan ik op zondagmiddag niet doen, dan kan ik mijn kinderen niet naar de opvang brengen. Dat soort zaken zullen in de toekomst moeten veranderen, omdat de grenzen tussen werk en privé alleen maar meer zullen vervagen.”

Ondertussen wordt er aan alle tafels driftig meegeschreven door werknemers van het ministerie. Wat gaan ze eigenlijk met al die informatie doen? „Alles wat we hebben gehoord, zetten we in een intern verslag dat we delen met de rest van het ministerie”, zegt dagvoorzitter Rijerse. Het is in de eerste plaats een inventarisatie. „We gaan het goed bestuderen.”

Bij een laatste rondgang door de zaal vraagt Rijerse naar de belangrijkste inzichten. „Ongelijkheid bestaat alleen als we toestaan dat het bestaat”, zegt iemand. „Daarom is maatwerk zo belangrijk, zodat zo veel mogelijk mensen mee kunnen blijven doen.”

Maar blijft er dan wel werk voor iedereen, vraagt Rijerse aan de tafel waaraan ook Monsma zit. „Niet voor iedereen”, antwoordt hij. „Er zal een grote groep werkelozen komen die wel wil werken en die we ook zullen moeten helpen én een groep die niet kan werken. Dat zullen we ook moeten accepteren.” Die groep help je niet met werk, meent Monsma, maar wel op een andere manier. „Iedereen is van waarde, je moet het alleen op de juiste manier weten te benutten.”

    • Christel Don