Armando: een kunstenaar die een vechter bleef

Armando (1929-2018) Schilder, dichter, muzikant en bokser Armando is altijd wars geweest van modes. Met beladen onderwerpen zocht hij steeds weer de weerstand op.

Armando, omringd door zijn sculpturen en schilderijen, in de Elleboogkerk in Amersfoort, waar in 1998 het Armando Museum werd gevestigd Foto Vincent Mentzel

Armando, die zondag op 88-jarige leeftijd overleed, zocht zijn hele leven de tegenstand. Van alles en iedereen. Als Nederland in de jaren vijftig collectief de Tweede Wereldoorlog wil vergeten, maakt hij expressieve schilderijen over vernietiging en geweld. Als de wereld zich tot het hippiedom bekeert, trekt Armando een strak pak aan én een lange leren jas en laat een pesterig dun nozemsnorretje groeien. Als iedereen er eind jaren zestig van overtuigd is dat je oorlogsmisdadigers moet negeren, publiceert hij (samen met Hans Sleutelaar) het nu klassieke interviewboek De SS’ers. En als de kunstwereld aan het einde van de jaren zeventig collectief in de ban is van de conceptuele kunst, begint Armando, na een jarenlange pauze, weer te schilderen.

Kale, expressieve doeken zijn het, met daarop, altijd in zwart-wit, een hek, een vlag, een wiel of de wortels van een boom. Hoe sober de doeken ook ogen, ze komen onmiskenbaar voort uit een diepe fascinatie voor beladen onderwerpen als geschiedenis, oorlog, vaderlandsliefde en vernietiging. En ze raken een gevoelige snaar: logo’s van collectieve trauma’s zijn het, symbolen voor gevoelens en gebeurtenissen die iedereen het liefste wil vergeten. Maar dat zal nooit gebeuren, lijkt Armando te zeggen, want deze thema’s zitten té diep verankerd in het wezen van de mens.

Armando in gesprek met de burgemeester van Amstelveen, Mirjam van ’t Veld (2015). Foto Sander Koning/ANP

Maar hoe krachtig de doeken ook zijn, en hoeveel succes hij er ook mee had: denk niet dat hij zich als schilder wilde vastleggen – oh nee. Want Armando was ook een begenadigd schrijver en dichter. En, met Cherry Duyns, maker van het absurdistische programma Herenleed. Violist. En hij was een fanatieke bokser – zoals hij ook als kunstenaar in de eerste plaats een vechter was.

Duitse bewakers

De wortels van Armando’s kunstenaarschap liggen, zoals hij zelf verklaarde, in zijn jeugd, in de Tweede Wereldoorlog. Hij groeide op nabij Kamp Amersfoort, een Duits doorvoerkamp, en als jongen stond hij langs de weg te kijken hoe de gevangenen vanaf het treinstation naar de barakken werden gebracht. Hij was gefascineerd door hun lot, door de manier waarop deze mensen hun wil was ontnomen – maar later besefte hij dat hetzelfde eigenlijk gold voor de jonge Duitse bewakers die de gevangenen begeleidden. Deze gebeurtenis, en andere uit die jaren (in zijn literaire werk duikt regelmatig de suggestie op dat hij in de oorlog zelf iemand zou hebben vermoord) vormden het fundament van Armando’s latere wereldbeeld waarin hij gefascineerd is door thema’s als beheersing en lotsbestemming – wat prachtig wordt samengevat in de klassieke, door hem zelf bedachte term ‘schuldig landschap’.

Twee elementen komen in zijn werk steeds terug: een fascinatie voor de verhevigde, geconcentreerde realiteit die bij uitstek opduikt in oorlogssituaties, en een krachtig verlangen het lot in eigen hand te nemen. Het maakte Armando’s werk romantischer dan dat van zijn tijdgenoten, en wars van iedere mode. Armando leek zich van niemand iets aan te trekken, en groef daarbij bijna terloops zo diep in de menselijke psyche dat zijn werk vaak als ongemakkelijk en confronterend wordt ervaren – ook al omdat hij nooit de uitweg bood van het moralisme. Voor Armando waren zelfs de meest tragische beelden en gebeurtenissen in de eerste plaats feiten.

Niet moraliseren

Als kunstenaar werd hij voor het eerst bekend als deelnemer aan Nul, de Nederlandse variant op de Zero-groep, die afstandelijkheid hoog in het vaandel droeg: ‘Voor het eerst in de kunstgeschiedenis levert de kunstenaar geen commentaar op de werkelijkheid. Niet bemoraliseren. Niet parodiëren. Niet ironiseren. Niet interpreteren. Intensivering door middel van isoleren of annexeren van fragmenten uit de realiteit.’ Die theorie paste hij ook consequent toe op zijn literaire werk, zowel zijn beschouwingen als zijn poëzie. Armando kleedde de taal steeds uit tot zijn essentie, hij presenteerde zijn zeer persoonlijke observaties zo droog en direct dat ze de kracht kregen van een algemeen geldende waarheid – waarmee hij de tegenstand als vanzelf over zich afriep.

Lees ook dit interview met Armando uit 2014: ‘Het dichten is helaas weer terug’

In 1979 verhuist hij naar Berlijn, op zoek naar een nieuwe tegenstander. Hij woont er tijdelijk in het atelier van nazi-kunstenaar Arno Breker, gaat er schrijven voor NRC Handelsblad en begint er zijn zwart-wit schilderijen te maken, die uitgroeien tot zijn bekendste werk. Op die doeken zijn termen als isoleren en intensiveren nog steeds van toepassing, er is alleen een belangrijk verschil met het Nul-werk: de nieuwe schilderijen zijn gemaakt in een opvallend zware, expressieve stijl. Dat levert een fascinerende combinatie op: kale, bijna feitelijke objecten, die louter door Armando’s stijl met nauw verholen dramatiek worden ‘opgeladen’.

Foto’s van de beeldenroute met sculpturen van Armando die in 2008 in Amersfoort te zien was. Foto ANP

Vanaf het begin van de nieuwe eeuw bouwt Armando zijn carrière langzaam af: hij is al eerder gestopt met boksen, met musiceren, met schrijven. Alleen het schilderen gaat door, tot vlak voor zijn overlijden. De doeken veranderden, de laatste vijftien jaar van zijn leven, er is, geheel tegen zijn natuur, steeds meer kleur in gekomen: felbloedend rood, gulzig blauw, verzonken groen – en juist door de toegenomen kleurigheid vinden de doeken steeds gretiger aftrek bij een steeds groter publiek. Het was alsof Armando de weerstand van de buitenwereld niet langer nodig had, maar hij alleen nog wenste te vechten met de enige tegenstander die hij gedurende zijn hele leven niet wist te overwinnen: zichzelf.

    • Hans den Hartog Jager