Opinie

    • Frits Abrahams

De moord op een plant

In een straatje op Bickerseiland, niet ver van het centrum van Amsterdam en allang geen eiland meer, had iemand een handgeschreven, boze tekst tegen een paal op het trottoir bevestigd. „Hier stond een druivenplant. We wilden hem snoeien omdat hij een beetje overhing. Maar gisteren heeft iemand hem helemaal afgeknipt. Waarom doen mensen elkaar zoiets aan?’’

Ik keek omlaag en zag een stomp van een plant uit het zand van een perkje oprijzen. Hier moest een bloeiend leven met de snoeischaar zijn omgebracht. In koelen bloede en met voorbedachten rade. De moord was vermoedelijk bij het aanbreken van de dag gepleegd. De dader had licht nodig gehad, maar geen pottenkijkers.

Ik nam aan dat de eigenaar van de druivenplant aanvankelijk zijn ogen niet had kunnen geloven. Hij had slaperig uit het voorraam gekeken en net een slokje van zijn eerste koffie willen nemen, toen zijn blik een vreemd gat in de werkelijkheid ontdekte: er ontbrak iets wat er had moeten zijn.

Vervolgens maakte zich een woede van hem meester die hij sinds lang niet meer gevoeld had. Waarom doen mensen elkaar zoiets aan, vroeg hij zich verbitterd af, terwijl hij zich naar de plaats van de misdaad spoedde.

Wie zou de dader geweest kunnen zijn? Een buurman die niet van planten hield en liever onbekend wilde blijven? Een passant die verderop woonde en zich elke dag weer ergerde aan die uitdijende plant die hem naar de rand van het trottoir dwong? Even voelde ik met de geschokte planteigenaar mee. Het leek me onvermijdelijk dat zulke vragen hem nog wekenlang zouden kwellen, vooral wanneer zijn altijd nogal stille, afstandelijke buurman neuriënd zijn eigen tuinhaag stond bij te snoeien.

Maar ook om een andere reden was deze botsing tussen eigenaar en belager interessant. Ze verwees naar een steeds vaker voorkomende tweespalt onder burgers over het gebruik van de publieke ruimte. Wie is daar de baas en bepaalt wat er in die ruimte wel of niet mag gebeuren?

De plantmoordenaar wilde niet langer belemmerd worden in zijn bewegingen door een plant waar hij niet om gevraagd had. De planteigenaar vond dat zijn plant de omgeving danig opfleurde en daarom gehandhaafd moest worden: hij eigende zich de publieke ruimte in zekere zin toe.

In Het Parool kwam ik in één week nog twee van zulke gevallen tegen. Aan de Weesperzijde bij de Amstel is een groenstrook waar veel mensen barbecuen. Dit ondanks een verbod van stadsdeel Oost. De eters veroorzaken veel stank en geluidsoverlast voor de omwonenden die zich in „een soort Zandvoort” wanen; overal liggen kippenbouten en afgekloven botten. De politie laat zich niet zien.

In dezelfde krant schreef een lezer een ingezonden brief waarin hij zich beklaagde over het feit dat ondernemers op de Wallen en de Zeedijk via stickers verbieden om daar je fiets neer te zetten. De lezer is boos, omdat die ondernemers daar het recht niet toe hebben. „De stad is van ons allemaal en zeker de openbare ruimte”, schrijft hij.

Formeel heeft hij gelijk, maar hij zou zich ook kunnen afvragen of de stad zo langzamerhand niet dichtgroeit met fietsen die overal neergekwakt worden. Is die openbare ruimte dáárbij gebaat?

Wie zich die ruimte toe-eigent, moet betere argumenten hebben.

    • Frits Abrahams