Na zeventig jaar een saluut van de koning

Voor het eerst werden Molukse militairen geëerd op de Veteranendag. Mezak Bakarbessy (91) is blij, zeker, maar het verleden niet vergeten. „Waarom heeft dit bijna 70 jaar geduurd?”

Foto's Martijn Beekman

Tamelijk onaangedaan eet Mezak Bakarbessy (91), temidden van al het omringende lawaai, aan een van de lange biertafels in tent 2 op het Haagse Malieveld zijn rijst. Naast hem doet zijn wapenbroeder Abe Paliama (93) hetzelfde. Het is de veertiende Veteranendag, maar zij zijn er voor het eerst bij. „En ik ben al bijna zeventig jaar veteraan”, zegt Bakarbessy.

Onder een felle zon is op het Malieveld, zoals ieder jaar, een Defensie-dorp verrezen. In de stofwolken marcheren veteranen in het gelid tussen belangstellenden die oud legermaterieel bekijken. Een meisje in een T-shirt met de opdruk „Proud daughter” applaudisseert met duizenden anderen voor stram saluerende oude veteranen op vrachtwagens, die terugkeren van een defilé door de afgeladen Haagse binnenstad.

Alle legeronderdelen zijn op Veteranendag vertegenwoordigd, maartot deze editie nooit eerder de Molukse militairen van het voormalige Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). Die bestonden niet meer voor de Nederlandse autoriteiten. Minister-president Mark Rutte (VVD) erkende het zelf, tijdens de plechtige openingsceremonie zaterdag in de Ridderzaal: „Zij vormden een vergeten groep, die te weinig erkenning en waardering heeft gekregen.”

Strikt genomen waren de Molukse militairen van de KNIL nooit echt vergeten door de staat. Zij waren juist de blijvende herinnering aan de oorlog waarmee Nederland tussen 1945 en 1950 afscheid nam van de kolonie Nederlands-Indië.

De Molukse militairen, die sinds mensenheugenis op de hele archipel de harde hand van de koloniale overheid waren geweest, zaten na de soevereiniteitsoverdracht in de knel. Er was op de Molukken een Republiek der Zuid-Molukken uitgeroepen, de Republik Maluku Selatan (RMS), en Nederland vreesde voor complicaties. Dus werden de ‘KNIL-Ambonezen’, zoveel mogelijk met hun gezinnen, ingescheept naar Nederland. Tijdelijk, zo werd gezegd.

Al snel bleek ‘tijdelijk’ permanent; de belofte van terugkeer werd gebroken. De mannen en hun families werden tegen hun wil in Nederland ondergebracht in voormalige Duitse concentratiekampen en gedemobiliseerd. Velen ervoeren dat als een ultieme vernedering: een voedingsbodem voor frustratie, verbittering. Het ideaal van een onafhankelijke RMS werd overgedragen aan de tweede generatie. Dat leidde in de jaren zeventig tot gewelddadige gijzelingsacties door Molukse jongeren.

Maar vandaag, nu nog maar enkele tientallen mannen van de eerste generatie in leven zijn, spreekt de premier van „erkenning en waardering”.

Bakarbessy is daar kort over: „Ik ben blij.” Hij negeert het donderend geluid van vier straaljagers van de luchtmacht die een flyby doen.

Den Haag, 30 juni 2018
Veteranendag
FOTO MARTIJN BEEKMAN
Foto’s Martijn Beekman

Vader onthoofd

Duidelijk is ook dat hijzelf het verleden niet vergeten is. Dat hij, een van de negen zoons van een Molukse onderofficier (in het koloniale systeem konden ‘inlanders’ geen officier worden), in 1942 studeerde aan de Technische Hogeschool in Bandoeng. Dat hij op vakantie was bij zijn vader die in Padang op Sumatra was gelegerd. En dat toen Japan Nederlands-Indië binnenviel. Bakarbessy belandde samen met zijn oudste broer en zijn vader in de gevangenis. „Mijn vader zei tegen ons dat we moesten ontsnappen, om te zorgen voor onze moeder en de andere kinderen.”

Dat lukte hen, maar het gevolg was dat hun vader werd onthoofd. „Dat hoorde ik later.”

Nadat Japan was verslagen wilde Bakarbessy verder met zijn studie in Bandoeng. Maar zijn oudste broer was zoek – gesneuveld, dacht de familie. En zo ging ook hij in het KNIL, eerst als soldaat-schrijver, omdat hij een van weinige Molukkers was die goed Nederlands sprak. Later werd hij telegrafist en radiotechnicus („heel mooi werk”) en weer later zat hij bij de Militaire Politie. „In die hoedanigheid heb ik eind 1948 Soekarno [de Indonesische president, red.] nog gearresteerd.” Maar ondanks alles was hij verbitterd over het feit dat hij zijn studie niet heeft kunnen afmaken. „Toen mijn broer nog in leven bleek te zijn, mocht ik niet meer uit het leger”, vertelt hij. Buiten schettert een militaire blaaskapel voorbij.

Den Haag, 30 juni 2018
Veteranendag
FOTO MARTIJN BEEKMAN
Den Haag, 30 juni 2018
Veteranendag
FOTO MARTIJN BEEKMAN

De rekening

Als hem gevraagd wordt naar zijn leven in Nederland na 1951 doet Bakarbessy of hij doof is. Erkenning, daar is hij blij om. Dat heeft hij ook tegen Rutte gezegd toen hij ’s ochtends door hem werd ontvangen. En hij is ook tevreden over de hartelijkheid van minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA), die hem na de plechtigheid in de Ridderzaal bijna omhelsde.

Maar, zegt Bakarbessy: „Waarom heeft dat bijna zeventig jaar geduurd? En waarom heb ik mijn achterstallige loon en pensioen nog steeds niet ontvangen?”

Erkenning en waardering zijn, zegt hij, niet alleen maar woorden. Dat wordt ook uitgedrukt in geld. Daarom heeft Bakarbessy vorige week ook „de rekening” gestuurd. Althans, de stichting Maluku4Maluku, die ijvert voor erkenning van de Molukse oud-militairen en die verantwoordelijk is voor het organiseren van hun herwaardering op Veteranendag, heeft dat namens hem gedaan. Afgelopen week stuurde de stichting namens drie families facturen naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

‘Frontman’ Leo Reawaruw van de stichting: „Het gaat om ongeveer 72.500 euro in totaal. En dan zijn we nog heel coulant richting de staat.”

Saluut van de koning

In de Ridderzaal zaterdagochtend zit Bakarbessy, samen met Leo Reawaruw, namens alle Molukse militairen van zijn generatie en hun families, op de eerste rij. In aanwezigheid van koning Willem-Alexander en voor de tv-camera’s noemt de minister-president zijn naam.

Samen met Abe Paliama rijdt Bakarbessy daarna mee in het defilé voor de koning, in een Amerikaanse Dodge uit de Tweede Wereldoorlog. Op de borst van zijn blauwe blazer naast zijn militaire onderscheidingen: de vlag van de RMS.

„Toen we de koning naderden,” zegt Bakarbessy, „gingen we staan. De koning salueerde naar ons.”

    • Frank Vermeulen