Opinie

    • Sjoerd de Jong

Sinds wanneer mag een auteur niets terugzeggen op een strenge recensie?

Het moest er een keer van komen: de meningenstrijd om Israël bereikt de ribfluwelen oase van de krant, de bijlage Boeken.

In mijn postbus vliegen tal van verhitte brieven binnen over recente recensies en over een ingezonden brief van een van de besproken auteurs.

Een lezer briest: „Sinds wanneer biedt NRC Boeken ruimte aan een recensent die haar eigen opinie mag verkondigen in plaats van een objectieve recensie van een boek?” De recensente, meent een lezer uit Groenekan, doet een „doorzichtige poging Israëls wandaden aan het zicht te onttrekken”.

Een ander boos geluid, over die brief: „Sinds wanneer mogen Boze Auteurs ongeremd hun gal spuwen?” De recensie getuigde juist, vindt een lezer uit Oud-Beijerland, van „gedegen historische kennis” en „nuance”. „Wat goed van Boeken!”

Een lezer te Almere deed verslag vanuit de huiskamer: „Hier in huis leidde de bespreking tot verhitte taferelen.”

Maar wacht even: sinds wanneer mag een recensente geen opinies hebben? En sinds wanneer mag een gekrenkte auteur niks terugzeggen?

Het spervuur is gericht op recente recensies van journalist en historica Els van Diggele, en op de ingezonden brief die de krant plaatste van de historicus Peter Malcontent, wiens boek Een open zenuw. Nederland, Israël & Palestina door haar met twee ballen werd afgeserveerd als onhistorisch „gescharrel”.

Eerst die brief (‘Ik ben geen Israël-hater’), die pas een maand na de recensie verscheen – en alleen al daarom verbazing wekte.

Een brief van een gekrenkte auteur is ongebruikelijk, maar zeker niet onvertoond. Integendeel, zulke brieven staan geregeld in bladen als The New York Times Book Review en The Times Literary Supplement. Ze dienen als weerwoord, uitlaatklep of zakdoek, en leiden soms tot polemiek. Helaas heeft de redactie Boeken al jaren geen eigen brievenrubriek meer, dus zulke post komt nu op de grote stapel bij de redactie Opinie. Ik heb dat hier al eens betreurd, want debat over boeken heeft meer vormen dan alleen die van een recensie.

Hoe kwam deze brief dan toch in de krant, een maand later?

Malcontent bood een uitgebreid stuk aan als reactie op de bespreking. Hij onderstreepte daarin het bestaansrecht van Israël niet in twijfel te trekken, terwijl in de bespreking nadrukkelijk het tegenovergestelde werd beweerd, namelijk dat hij juist „alle registers open[trekt] om het bestaansrecht van de Joodse staat in twijfel te trekken”. Dat is geen triviale vaststelling, het betwisten van Israëls bestaansrecht is ook een activistische positie en kan rieken naar antisemitisme.

Hij kreeg nul op rekest bij Opinie en Boeken en wendde zich daarna tot mij. Ook de stichting die het boek financierde, in de recensie „pro-Arabisch” genoemd, tekende bezwaar aan.

Nu doet mijn mening over een recensie er niet zoveel toe. Maar zodat u het weet: als kranten- en boekenlezer over Israël én als leunstoelzionist (vroegste tv-herinneringen: De Bezetting, de Zesdaagse Oorlog) vond ik de recensie zelf weinig informatief en vooral over het boek heenwalsen. Alleen al omdat ik er nauwelijks iets uit opstak over de hoofdmoot ervan, de Nederlandse buitenlandse politiek ten aanzien van Israël vanaf 1948.

Maar de reden om die brief te plaatsen was een andere.

De recensent legde me in een reactie uit dat de positie die zij de auteur toeschrijft niet letterlijk in het boek staat, maar dat zij „het narratief” herkende van revisionistische historici die Israëls bestaansrecht betwisten. Dat is overigens, meent zij, een „legitieme” positie in het historisch debat, en ze had de passage geenszins beschuldigend bedoeld, maar zakelijk.

Maar ja, dat die positie legitiem is, stond niet in het stuk en zo heb ik het, en vermoedelijk de meeste lezers, ook niet opgevat. Daarnaast, een boek in een historisch narratief plaatsen en beoordelen, inclusief woordkeus en framing (Van Diggele bekritiseert Malcontent onder meer omdat hij anachronistisch „Palestijnen” schrijft in plaats van „Arabieren”) kan natuurlijk prima, maar vergt uitleg en onderbouwing, wat mij betreft veel meer dan in het stuk werd gegeven. Trouwens, als een auteur „alle registers open[trekt]”, verwacht je een openlijke stellingname van hem, zonder de noodzaak om tussen zijn regels en jargon door te lezen.

Dat betekent allemaal niet dat de krant zich van de recensie distantieert. Integendeel, de chef Boeken staat er vierkant achter. Wel dat het redelijk is om de besprokene een weerwoord te gunnen op dit ene punt, vandaar die brief.

Dat was tweede keus, overigens, want ik stelde de chef Boeken ook voor het weerwoord van Malcontent af te drukken met een evenredige repliek van de recensent: polemiek! Dat kan de standpunten verhelderen, de zaak verdiepen en voor lezers interessant zijn. Hij zag daar niets in, dus bleef het helaas bij die (ruim gehalveerde) brief.

Maar nu: moet een recensie wel „objectief” zijn?

Zo gezegd lijkt dat me iets als koken met ingrediënten maar zonder kok. Recensenten hebben een visie, of positie. Er is wel een belangrijk verschil met opiniestukken. Daarin staat de mening van de auteur centraal, in recensies een confrontatie met andermans werk. Polemiseren mag – mits helder onderbouwd. Dat geldt zeker bij boeken over Israël en de Palestijnen, want bijna elk feit in dit zwaar gepolitiseerde conflict is beladen met interpretaties.

Winstpunt van de controverse: de chef Boeken overweegt na de zomer alsnog een brievenrubriek te beginnen – online.

Terecht. Ook debat over boeken gedijt bij tegenspraak.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong