De Champions Trophy: herinneringen aan een prestigieus toernooi

De mannenhockeyers spelen dit weekend voor de laatste keer om de Champions Trophy. Na 40 jaar en 37 edities houdt het doorgaans sterkst bezette toernooi ter wereld op te bestaan.

Ties Kruize houdt de trofee omhoog na de winst van de Champions Trophy in 1982, in het Wagener Stadion in Amstelveen. Foto KNHB

Ties Kruize: ‘Ze bekogelden hun eigen spelers’

„In 1981 [het jaar van de eerste Nederlandse titel] versloegen we Pakistan ín Pakistan, dat was voor het eerst. Speelden we voor veertigduizend man, zeg maar twee keer zoveel als tijdens het WK in Den Haag in 2014 in het ADO-stadion zaten. Fantastische sfeer. Ik weet nog dat de Pakistaanse spelers vanaf de tribune met allerlei dingen bekogeld werden na die wedstrijd en wij als buitenlanders als helden werden toegejuicht.

„Ik denk dat de Champions Trophy eraan heeft bijgedragen om het hockey populairder te maken. Dat gebeurde voor het eerst in 1973, toen we in Amstelveen wereldkampioen werden en mensen voor het eerst live – in zwart-wit – op televisie hockey konden kijken. Sindsdien is het alleen maar meer geworden. De wereldtitel in 1998 in eigen land zorgde voor meer leden, en het WK in 2014 – gewonnen of niet – deed dat. De Champions Trophy op zijn eigen manier ook.

„Onder hockeyers is het een toptoernooi. Vraag een willekeurige (oud-)speler of coach of hij wil dat het blijft bestaan en hij zal ja zeggen. Ik begrijp eigenlijk niet dat we allemaal maar accepteren dat zo’n toernooi ter ziele gaat. Het verdwijnt toch om ‘politieke’ redenen. Ik had veel meer oppositie verwacht. De zes beste landen ter wereld, de nummers één en twee in de finale – het zijn de allerbeste wedstrijden. Op een EK of WK zijn er veel meer deelnemers en zijn de verschillen groter tussen de beste en slechtste teams. In de Champions Trophy zit het heel dicht bij elkaar. Dat in een kort tijdsbestek van ruim een week. Zwaar, maar iedereen zat in hetzelfde schuitje. Het is doodzonde dat het toernooi verdwijnt.”

Jacques Brinkman:‘Ik stuurde ze: toch te vroeg gestopt!’

„De titel in 1996, in Madras [nu Chennai] was bijzonder. Net olympisch goud gewonnen in Atlanta, voor het eerst. Een paar ervaren spelers hadden daarna afscheid genomen: Taco van den Honert, Floris Jan Bovelander, Marc Delissen. We gingen onbevangen naar dat toernooi. We wonnen de Champions Trophy in die jaren nooit, een klein trauma. Ik weet nog dat ik die drie jongens toen een faxje had gestuurd: toch één toernooi te vroeg gestopt. En fanatiek als ik ben: de titel betekende dat ik als eerste Nederlandse speler alle prijzen had gewonnen. Het was ook het begin van een succesvolle periode. Tot en met 2000 leek het wel alsof we niet te verslaan waren.

„Ik weet mijn allereerste ook nog. 1987, in eigen land. Toen met zeven landen. We waren zevende geworden op het WK in Londen, maar mochten als gastland meedoen. Frank Leistra raakte geblesseerd en toen hadden we alleen nog Ronald Jansen. Die keepte toen zonder helm. Hoe verzin je het? Levensgevaarlijk, maar hij was een bluffertje. We bespraken toen met Hans Jorritsma, onze coach: wie gaat op doel als Ronald geblesseerd raakt? Dat moest dan ‘Flop’ [Bovelander] zijn. En Ronald kreeg uiteindelijk ook een bal op zijn neus na een strafcorner. Hij kon wel door. Later werd de helm verplicht.

„De erfenis van de Champions Trophy is de wetenschap dat hockey altijd moet gaan om wedstrijden die ertoe doen. Het moet exclusief zijn. We zeiden altijd tegen elkaar: de Champions Trophy winnen is moeilijker dan het EK, WK of de Olympische Spelen. Het was het sterkste toernooi. Het was een merk geworden.”

Teun de Nooijer: ‘Won je hem, dan wist je: we staan er’

„Het toernooi in India in 1996 was heel speciaal. De finale tegen Pakistan, ik weet dat iedereen in het publiek voor ons was. We zaten daar niet in het allerbeste hotel en we moesten uitkijken met eten. We stonden met elf man op het veld, van wie er een het al lastig had qua gezondheid en de rest op de bank zat ook met samengeknepen billen. Heb er zelf gelukkig nooit last van gehad.

„In 2002 wonnen we in Keulen van Duitsland in de finale, na strafballen. Ze waren écht de favoriet. Dat was een speciale. Het jaar erna wonnen we in eigen land een tweede titel op rij.

„Een gek toernooi was dat in Brisbane, Australië in 1999. We kregen vlak ervoor te horen dat ‘shoot’ niet altijd meer ‘shoot’ zou zijn, dat je de bal áf en toe met de voet mocht raken. Het maakte het spel zo ongelofelijk anders. Het waren heel aparte wedstrijden, er was best wat frustratie. We stonden uiteindelijk niet in de finale. De situatie was natuurlijk voor alle landen gelijk, maar het heeft toen voor behoorlijk wat afleiding gezorgd.

„Als je de Champions Trophy won, dan wist je: één, we kunnen ons écht meten met de wereldtop. Twee, we zíjn ook wereldtop. Pakte je deze titel, dan wist je als team: we staan er. Toen we in 2000 in eigen huis alle wedstrijden wonnen, gaf dat ongelofelijk veel vertrouwen richting de Olympische Spelen, die daarna kwamen. Het was elk jaar weer een toernooi om naar uit te kijken. Natuurlijk staan de Spelen en het WK veel hoger aangeschreven, maar ik vond de Champions Trophy soms mooier om te spelen.”

Oranje na de winst van de Champions Trophy in 2006 in Terrassa, Spanje. Foto Koen Suyk/ANP

Taeke Taekema: ‘Ik speelde alles met een gebroken voet’

„Vraag je aan iedereen die niet veel van hockey weet wat hij wél kent, dan zullen dat de strafcorner zijn en de Champions Trophy.”

„De eerste goal die ik in de Champions Trophy maakte [van de 48, een record] was in 2000 in Amstelveen. Het was mijn derde interland en de vijfde wedstrijd dat toernooi, tegen Spanje, we waren al gekwalificeerd voor de finale. Volgens mij gaf Paul van Esseveldt aan en stopte Wouter van Pelt. Rámon Jufresa stond op goal. Ik pushte laag. 1-0, de enige goal. In het clubhuis van Amsterdam hangt een luchtfoto waarop je het hele terrein ziet, precies gemaakt op het moment dat ik die corner maak. Toeval.

„2006 was een bijzondere editie, in Terrassa. Ik was de enige van het team die zes wedstrijden de volle zeventig minuten speelde, en werd samen met Santi Freixa (Spanje) topscorer. Bleek achteraf dat ik het hele toernooi met een gebroken voet had gespeeld. We pakten toen de titel, begonnen als grote favoriet aan het WK in Duitsland, maar daar werden we slechts zevende.

„Een mindere herinnering was het toernooi in 2004, in Pakistan. We waren het beste team , zeker toen Australië vanuit veiligheidsoverwegingen niet meedeed, maar verloren onnodig van Spanje in de finale. Bijzonder was dat het de eerste en enige keer was dat ik een toernooi in Pakistan speelde. Ik kwam ervoor op en neer uit Australië, waar ik toen speelde. Bondscoach Terry Walsh zei dat het wel eens de laatste keer kon zijn dat we er zouden komen, dat ik gek was als ik het toernooi liet schieten. Achteraf was ik er heel blij mee.”

    • Frank Huiskamp