Zij tatoeëert de littekens weg

Dermatografie Brigitte Drost helpt mensen die een litteken hebben overgehouden aan een medische ingreep. Met behulp van tatoeage krijgt een iris weer kleur, of geeft ze iemand een tepel. „Een tepel maakt dat het weer een ‘echte’ borst wordt.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Brigitte Drost behandelde eens de neus van een vrouw die er een huidtumor op had gehad. Ze vulde deukjes in de huid op met filler, kleurde het littekenweefsel huidskleur. Toen ze de vrouw in de spiegel het resultaat liet zien, begon die routineus haar mascara bij te werken en haar lippen te stiften. „Maar wat vind je nou van je neus?”, vroeg Drost. „Oh”, zei de vrouw, „Die negeer ik altijd als ik in spiegel kijk.”

De vrouw had haar neus uit haar blikveld verbannen. Brigitte Drost (55) komt in haar werk wel vaker mensen tegen die een lichaamsdeel visueel blokkeren. Zij is dermatograaf: ze retoucheert delen van het lichaam van mensen die geopereerd zijn aan kanker of zijn bestraald. Al 18 jaar werkt ze in het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis in Amsterdam, dat is gespecialiseerd in oncologie. Ze ‘repareert’ mensen die zichtbare of beperkende littekens overhouden aan operaties. Mensen die melanomen hebben gehad, bijvoorbeeld. Mensen van wie de irissen kleurloos geworden zijn door trauma, of iemand van wie de tepels bij een borstreconstructie niet gespaard konden worden.

Met haar aanpak – tatoeëren in littekenweefsel – is Drost de enige in Nederland. Ja, er zijn wel een paar andere artsen die tepels tatoeëren, maar er is niemand anders die een huidkanker-litteken op deze manier behandelt. Of een door huidkanker aangetaste lip de natuurlijke tint teruggeeft. Niet zo gek: vermoedelijk is er geen medisch specialist in Nederland met een opleiding zoals zij.

Mensen knappen op van een lichaamsdeel dat er weer een beetje normaal uitziet

Brigitte Drost

„Ik begon met medicijnen studeren en wilde na mijn artsexamen chirurg worden”, vertelt Drost in de kantine van het ziekenhuis. „Huisarts of zoiets, dat leek me niks. Ik wilde snijden.” Maar die tak van de geneeskunde was destijds, in de jaren tachtig, nog „echt een mannenbolwerk”. Drost kon twee jaar werken als assistent op de afdeling chirurgie, maar kreeg geen opleidingsplaats. Daarom besloot ze een andere weg in te slaan. Haar moeder was kunstenares, als Drost geen chirurg kon worden, ging ze maar heel goed leren boetseren. Ze werd aangenomen op de Koninklijke Kunstacademie.

Tatoeage-artiest

Na haar kunstopleiding kwam ze in contact met een tatoeage-artiest die in Het Oogziekenhuis in Rotterdam beschadigde ogen tatoeëerde. Dat wilde Drost ook. Ze leerde het vak van hem en ging met hem mee op reis naar het Nepalese Kathmandu, waar destijds veel mensen rondliepen met witte irissen door uit de hand gelopen oogontstekingen. „Niet zo gek”, zegt Drost, „de mensen daar deelden de antibiotica met het hele dorp.” Die irissen kleurden ze in met tattoo-inkt. Dat klinkt misschien raar, maar „hoornvlies is ook huid,” legt Drost uit, „dat kan je gewoon inkleuren.”

Waarschijnlijk ontstond daar in Kathmandu haar fascinatie voor dermatografie, denkt Drost. „In Nepal zijn ze ontzettend bang voor mensen met een witte iris. Het witte oog zien ze als het ‘boze oog’. Mensen zonder iris worden verstoten.” Met een relatief simpele ingreep gaf Drost haar Nepalese patiënten „hun hele leven” terug. „Mannen konden weer aan het werk. Kinderen konden weer spelen met de anderen. Meisjes konden weer trouwen.”

Eenmaal terug in Nederland ging Drost verder met het medisch tatoeëren. Ze verdiepte zich daarnaast in cosmetische ingrepen zoals botox en fillers. Een mooie combinatie voor haar huidige vak; dermatografie.

Brigitte Dorst via Sarah Kartono-Annabel Oosteweeghel
Brigitte Dorst via Sarah Kartono-Annabel Oosteweeghel
Foto’s Annabel Oosteweeghel

Het is al zo’n twintig jaar geleden dat ze begon als dermatograaf in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis. Als patiënten bij Drost in de behandelkamer terechtkomen, hebben ze doorgaans al een hoop ellende achter de rug. „Ze hebben maandenlang in de overlevingsstand gezeten, dan denk je niet aan je uiterlijk. Je denkt: haal die borst er maar af, zolang ik maar blijf leven. Snijd die huid vooral weg waar nodig.” Als die overlevingsstand uitgezet is, worden mensen pijnlijk met zichzelf geconfronteerd : ze herkennen zichzelf niet meer in de spiegel. Om daar maar niet over na te hoeven denken, gaan mensen hun ‘besmette’ lichaamsdelen ‘blokkeren’. „Van vrouwen die borstkanker gehad hebben, hoor ik vaak dat ze hun lichaam zien als hoofd, schouders, buik. Een vrouw die een kale prothese heeft, doet heel makkelijk haar shirt uit met iedereen erbij. Die ziet haar borsten als iets medisch, ze schaamt zich er niet voor. Die prothese-borsten zonder tepels tellen niet mee.”

Lees ook: Deze vrouw tatoeëert over de littekens van mishandelde Russische vrouwen

Maar dat verandert als er weer tepels op staan . „Een tepel maakt dat het weer een ‘echte’ borst wordt. Dan houden ze ineens een hemdje aan in de behandelkamer, of ze leggen hun hand erop.” Nee, de eigen borst kan ze haar patiënten niet teruggeven, weet Drost. „Maar wel het idee van een borst.”

Behandelingsmoe

Hoewel Drosts werk als dermatograaf wel eens wordt omschreven als ‘de kers op de taart’ van het behandelproces, zien veel patiënten dat niet per se zo. „Ze zijn totaal behandelingsmoe als ze bij mij aankomen, hebben vaak zoiets van: ook dit nog.” Maar dat zijn de leukste patiënten, vindt Drost. „Die zijn het meest verrast over hoezeer ze psychologisch opknappen van een lichaamsdeel dat er weer een beetje normaal uitziet. Over hoe fijn het is dat je niet meer elke keer als je je omkleedt, wordt geconfronteerd met dat trauma van kanker. Over hoe prettig het is dat mensen niet meer alleen maar naar je halve lip kijken als je ergens komt solliciteren.” Lastiger zijn patiënten met torenhoge verwachtingen. „Die denken soms dat ik hun hele lichaam weer kan herstellen. Dat kan niet; je blijft altijd iets van schade zien.”

Uiteindelijk zijn het, misschien meer nog dan het werk zelf, vooral de gesprekken met de patiënten die haar dagen interessant maken, zegt Drost. „Ze komen allemaal uit een periode van stress en onzekerheid, en gaan meestal eens even goed kijken naar het leven dat nog voor ze ligt.” Veel patiënten willen iets groots veranderen in hun leven: een nieuwe baan, een nieuwe partner – en dat vertellen ze. „Patiënten geven zich makkelijker bloot in mijn spreekkamer”, zegt Drost. „Ze hebben totaal geen gêne. Die hebben ze ergens rond het derde ziekenhuisbezoek wel achter zich gelaten.”

    • Doortje Smithuijsen