Illustraties Ralph Zabel

Nuttige griezels, verborgen in de achtertuin

Het Verborgene: deel 1 van 9 Deze zomer verkent de wetenschapsredactie alles dat verborgen is. Vandaag: wat voor krioelend bodemleven verschuilt zich in de achtertuin?

Zin in een avontuurlijke zomer? Daarvoor hoeft u niet op safari in Zuid-Afrika, op duikreis naar Bali, of op jungletocht door Suriname. Pak een schep en ga op ontdekking in de achtertuin, want ook daar zijn volop bijzondere soorten te ontdekken. „Een handjevol vruchtbare grond bevat duizenden soorten”, vertelt de Wageningse bodemecoloog Jack Faber. Wormen, spinnen, beentasters, beerdiertjes. Weinig mensen kennen die rijkdom. Het is een verborgen jungle. „Volgens de Schotse bioloog Michael B. Usher is de bodem het regenwoud voor arme mensen”, zegt Faber. „Voor bijzondere soorten hoef je geen dure reis naar de tropen te maken.”

Al die bodemdieren vervullen hun eigen rol in het ondergrondse ecosysteem. Faber: „Ze beïnvloeden onder meer de bodemstructuur, waardoor de plantenwortels er beter in kunnen groeien, en waardoor de bodem bij hevige regenval water kan bergen en in droge zomers vocht kan vasthouden.” Ook wordt dood materiaal – bladeren, overleden dieren – er omgezet in vruchtbare humus, waardoor de levende planten juist weer goed gedijen. Daarom spreekt Faber over de onzichtbare helden van de ondergrond. En ze mogen wat hem betreft wel wat meer in de spotlights staan. „Mensen hebben het vaak niet zo op al die kruipende, krioelende, onooglijke dieren. Maar ze hebben wel nut. Zonder hen zouden de planten in de tuin verleppen.”

Jonge bodems in Vinexwijken

In Nederland hebben we een grote rijkdom aan bodems, mede dankzij de aanwezigheid van verschillende substraten: zand, klei, veen, löss. Faber: „Substraat en bodem zijn termen die vaak door elkaar worden gebruikt, maar een bodem ontstaat door fysische en chemische processen, zoals neerslag en verwering, en door activiteit van planten en bodemleven. Leeftijd is een belangrijke factor: bodemvorming kan algauw honderden jaren duren.” Daarom zijn echte bodems in Vinexwijken bijvoorbeeld vaak nog heel jong. Toch is bodemleven daar niet absent. „De bewoners doen zelf van alles – tuingrond aanbrengen, beplanten, GFT composteren, spitten – waardoor steeds meer soorten zich kunnen vestigen.”

Wim van der Putten, hoofd van de afdeling terrestrische ecologie bij het Nederlands Instituut voor Ecologie in Wageningen: „Mensen nemen voor lief dat bodems er zijn, maar beseffen soms niet wat er allemaal bij komt kijken om een bodem met die enorme biodiversiteit te ontwikkelen. De bodem in nieuwbouwwijken is vaak een grote woestijn door al die bouwwerkzaamheden. Als je in een Vinex-wijk woont, zou je mensen met een goed ontwikkelde tuin kunnen vragen om een emmertje van hun bodem als housewarming-gift. Daardoor transplanteer je het bodemleven en komt de bodemactiviteit in de nieuwe tuin sneller op gang. Vergelijk het met een fecestransplantatie voor mensen bij wie de eigen darmflora niet goed werkt.”

Tegelvrije tuin

Juist voor de bodemdiversiteit is het belangrijk om te zorgen voor een tegelvrije tuin. Faber: „In de bebouwde kom is er heel veel ‘afdichting’: bestrating, asfalt. Door die bodembedekking komt er geen water de grond in, geen dood plantenmateriaal. En juist dat dode materiaal is zo belangrijk voor het leven en de hele kringloop in de bodem.” Een betegelde bodem wordt een dode bodem, aldus Faber. „Al is het gelukkig een schijndood: het leven eronder is in rust, maar als je de tegels bijtijds weghaalt, worden de organismen eronder vanzelf weer actief en kunnen er zich weer nieuwe vestigen. En wat tuinaarde doet soms wonderen. Die aarde lijkt levenloos als je het uit de zak op de grond strooit, maar zodra je er wat water opgiet, begint er van alles te bewegen: aaltjes, mijten, beerdiertjes.” Beerdiertjes zijn extremofielen, organismen die kunnen overleven in extreme omstandigheden. Wordt het te droog, dan gaan ze in ruststand: ze verschrompelen en worden weer actief na de volgende regenbui.

Van der Putten: „Met het oog op klimaatverandering is het heel interessant om te zien hoe bodems reageren op droogte. Onlangs hebben we bodems uit Hongarije vergeleken met Nederlandse bodems, en ze een droogtebehandeling gegeven. Onze verwachting was dat het bodemleven in die Hongaarse bodems zich sneller zou herstellen na droogte, omdat die aan meer droogte gewend zijn. Maar tot onze verrassing kwam na bewatering juist in de Nederlandse bodems het leven het snelst op gang. De Zuid-Europese bodems deden het langzamer aan. En eigenlijk is dat ook logisch: die bodems wachten af, omdat één regenbuitje nog niet direct hoeft te betekenen dat de droge periode ook echt voorbij is.” Te vroeg anticiperen op bevochtiging kan ongunstig zijn, zeker als we in de toekomst vaker te maken krijgen met droogte. „We hebben nu een heel droge junimaand gehad. Stel dat het in juli of augustus ook nog heel droog wordt, terwijl het bodemleven alweer volop actief is, dan kunnen die soorten alsnog het loodje leggen. Wat langer afwachten is dan beter.”

Een gezonde bodem is een diverse bodem, benadrukt Van der Putten. „Vroeger was er het begrip bodemkwaliteit, waarbij specifiek werd gekeken naar de geschiktheid van een bodem voor één doel, bijvoorbeeld de groei van gewassen. Maar bodemgezondheid heeft te maken met meer factoren: een goede structuur, een waterzuiverende functie, de afwezigheid van ziekten. Om dat te bewerkstelligen moet je allerlei groepen van bodemorganismen hebben: bladafbrekers, stikstofomzetters, tunnelgravers, noem maar op.” De meeste bodemsoorten zijn nog niet op naam gebracht. „Dat geldt vooral voor de bodembacteriën. Op grond van DNA-onderzoek kunnen we wel zien: hé, in deze bodem zitten nog onbekende soorten, maar om ze echt te kunnen determineren moet je ze opkweken, en dat gebeurt lang niet altijd. Het is ook niet per se nodig, zolang er maar voldoende verschillende soortgroepen zijn.”

En geen bestrijdingsmiddelen

Voor een gezonde tuin is niet alleen het verwijderen van tegels belangrijk, zegt Van der Putten. „Ook is het essentieel dat je geen bestrijdingsmiddelen gebruikt in je tuin. Anders verandert de bodem alsnog in een woestijn. „Mensen klagen over glyfosaat in de landbouw, maar ook privé gebruiken ze nog veel te veel Round-Up, omdat ze zo nodig een onkruidvrije tuin willen. Terwijl allerlei belangrijke bodemorganismen daar last van kunnen hebben.”

De meeste soorten zijn te vinden in de bovenste tien centimeter van de bodem: daar bevindt zich het organisch materiaal waar veel soorten van afhankelijk zijn. Maar dieper in de ondergrond zijn ook nog soorten te vinden. Faber: „In de Nederlandse ondergrond bevinden zich verschillende grondwaterstelsels; het diepste ligt op zo’n 200 meter diepte en bestaat uit water van tienduizenden jaren oud. Ook daar kun je een hele leefgemeenschap aantreffen: bacteriën, bacterie-eters. Ze krijgen geen zonlicht, geen zuurstof. En leven alleen van het insijpelende bodemvocht en van elkaar. De meeste soorten hebben niet eens een naam, niemand neemt de moeite ze goed te onderzoeken. Eigenlijk weten we er nog verdomde weinig van.” En 200 meter is nog niets: ook op 4.000 meter diepte zit er nog leven in de bodem. „Dat zijn de steenetende bacteriën. Echte extremofielen, die kunnen gedijen bij hoge druk en hoge temperatuur.”

Niet alle bodemdieren zitten hun hele leven in de bodem. Matty Berg, universitair hoofddocent ecologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en bijzonder hoogleraar bodemfauna en natuurlijke ecosysteemdynamiek aan de Rijksuniversiteit Groningen: „Onder bodemfauna verstaan wij alle diersoorten die niet zonder de bodem kunnen of die voor het grootste deel van hun leven aan de bodem gebonden zijn. Daarmee kom je ook op bijvoorbeeld vliegen, muggen en kevers die als larven vaak maanden- tot jarenlang onder de grond leven. Emelten – langpootmuglarven – en engerlingen – mestkeverlarven – zijn daar voorbeelden van.”

Zelf heeft Berg al tientallen nieuwe bodemdiersoorten ontdekt en op naam gebracht. „Ik probeer alle bodemdiergroepen waar niemand aan werkt voor het voetlicht te brengen, zoals springstaarten, tweestaarten en beentasters. Dat zijn diergroepen met zes poten die desondanks niet tot de insecten behoren, omdat ze hun monddelen in de kop hebben in plaats van erbuiten.” Ook naar kwelderspringers doet Berg veel onderzoek: die zijn evenals pissebedden verwant aan kreeften, en leven in gebieden die regelmatig met zout water overstromen. Net als regenwormen zijn het biobouwers: soorten die hun leefomgeving zodanig veranderen dat ze een effect op andere soorten hebben, positief of negatief. Bijvoorbeeld door in de bodem te graven. Daardoor kan die in de zomer meer vocht vasthouden en wordt de structuur opener.

36 soorten pissebedden

In mei verscheen de ‘Veldtabel Landpissebedden’, die Berg met Jan van Duinen schreef. „In Nederland leven maar liefst 36 soorten landpissebedden. Onder meer de famous five, de vijf soorten die in elke tuin te vinden zijn: de ruwe pissebed, de gewone oprolpissebed, het paars drieoogje, de mospissebed en de kelderpissebed. Ook pissebedden zijn biobouwers. Ze ruimen het dode bladmateriaal op. De andere bodemdieren zijn daar niet altijd even blij mee. Mijten en springstaarten bijvoorbeeld hebben die strooisellaag juist nodig om in te leven.”

Een bodemdiervriendelijke tuin is een tuin die niet te netjes is, zegt Berg. „Ruim niet al het dode bladmateriaal op, leg her en der een steen of een stuk dood hout neer. En heb je een gazon, loop dan het liefst zo min mogelijk over het gras want dan stamp je de regenwormentunneltjes dicht.”

Een bodemdierensafari is volgens hem vooral een kwestie van goed om je heen kijken: „Vooral op de grens tussen open en meer gesloten materiaal – strooisel en compacte bodem bijvoorbeeld – kom je veel soorten tegen. Til eens een bloempot op, schuif wat strooisel opzij, draai dat stuk dood hout om, kijk onder een afvalbak of deurmat. Dan zie je de springstaarten, regenwormen, miljoenpoten, duizendpoten en pissebedden vanzelf.”

En wat als mensen toch enige afschuw voelen bij al dat gekrioel? „Onbekend maakt onbemind. Wanneer mensen eenmaal ontdekken hoe fascinerend dat bodemleven is, worden ze juist enthousiast. Kijk maar eens hoe mooi de golvende beweging van de pootjes van een miljoenpoot zijn als je hem over je hand laat lopen. Of kijk eens naar de onderkant van een pissebed: juist in deze tijd van het jaar zie je vaak een gelig bultje tussen de pootjes. Dat is de ‘broedbuidel’, waarin ze hun eitjes met zich meedraaien. Vergelijkbaar met hoe kangoeroes hun jongen met zich meedragen. Eigenlijk zit je tuin dus vol mini-kangoeroes.”

    • Gemma Venhuizen