Opinie

    • Tom-Jan Meeus

Het tribalisme rukt op. En Den Haag antwoordt met holle reclameteksten

Deze week: wat hebben Baudets acties tegen linkse leraren en Halsema’s benoeming in de hoofdstad gemeen?

Ofwel: hoe het land verder uit elkaar valt.

Als iemand zich over vijftig jaar afvraagt hoe dat was, Nederland in 2018, hoop ik dat ze de video van de presentatie van de Klimaatwet, afgelopen woensdag in Den Haag, bewaard hebben.

Een krassere ontkenning van politiek bestuur – samenwerking met andersdenkenden – heb ik nooit eerder gezien.

Ik las de volgende dag overal interessante stukken omdat de zeven (!) betrokken fracties – GroenLinks, PvdA, D66, SP, CU, CDA, VVD – hun wet verschillend uitlegden.

Maar al die details leken me het verhaal niet: deze wet is een big deal. Nederland legt spectaculaire normen vast voor dertig jaar. Komende kabinetten zijn politiek gebonden aan niveaus van verlaagde CO2-uitstoot, alsmede een gigantische energietransitie, die tot voor kort totáál ondenkbaar waren.

Een revolutie.

Maar wie dacht dat die zeven Kamerfracties elkaar bij de presentatie jubelend toespraken gezien de bereikte doorbraak, had er duidelijk niets van begrepen.

Ze kwamen één voor één op, hielden elk hun reclamepraatje – varianten op de multifocáááále bril – en dat was alles.

Ze konden onmogelijk weerspreken dat ze maanden hadden samengewerkt, geleid door Klaver (GroenLinks) en geholpen door minister Wiebes (Klimaat, VVD), maar dat mocht geen deel zijn van de beeldregie.

En je snapte het wel: samenwerken met andersdenkenden is linke soep geworden. De politicus die er te enthousiast over doet krijgt slaag van de kiezer.

Maar deze interpretatie van samenwerking – doen alsof het niet is gebeurd – ging nogal ver. Vrede sluiten en dan zeggen: maar met de vijand wil ik niet gezien worden.

Het tekent het oprukkende tribalisme in het land. En verscherping van polarisatie die erbij hoort, ondanks de economische voorspoed.

Iedereen teruggetrokken in de safe space van het eigen wereldje: tevreden over zichzelf, smetvrees voor de anderen.

Amsterdam koos deze week Femke Halsema als burgemeester, en in zekere zin zag je daar hetzelfde probleem.

Het hele idee achter het burgemeesterschap staat haaks op het tribalisme: het hoofd van de gemeente vertegenwoordigt alle burgers.

Lange tijd werden burgemeesters daarom vooral gerekruteerd uit middenpartijen. Matigheid als voorwaarde. Maar de praktijk van burgemeestersbenoemingen is verschoven van Haagse regenten naar lokale volksvertegenwoordigers: de raad beslist.

En Amsterdam koos in maart een bij meerderheid progressieve raad, terwijl de klassieke linkse middenpartij, de PvdA, werd leeggegeten door relatieve nieuwkomers als Denk, Sylvana Simons, de Partij voor de Dieren en GroenLinks.

De laatste werd dankzij een pregnant progressief profiel de grootste. Vandaar Halsema.

Maar hierin schuilt ook een tekortkoming: als een in meerderheid progressieve raad een progressieve kandidaat kiest, toont zij geen zichtbaar respect voor alle burgers die zich niet in de meerderheid herkennen.

In die zin is Halsema inderdaad een polariserende keuze, en dat is precies wat de reacties lieten zien.

Niet dat die allemaal zo snugger waren. Zelfverklaarde Hollandse Trump-aanhangers die zich beklaagden over Halsema’s gebrek aan bestuurlijke ervaring, waren blijkbaar vergeten hoeveel bestuurlijke ervaring Trump bij zijn verkiezing had.

En Halsema is slim en handig genoeg om te weten wat haar nu te doen staat. Matiging en grenzen slechten. Je zult zien: dat kan ze makkelijk.

Iemands eerste baan heeft vaak vormende invloed: bij Halsema was dat het wetenschappelijk instituut van de PvdA, de WBS, waar ook ondogmatische denkers als Paul Scheffer, Ayaan Hirsi Ali en René Cuperus vandaan komen.

Dus let maar op: over een paar jaar piept haar eigen partij harder dan Forum voor Democratie. Haar dubbelzinnige relatie met GroenLinks is, ook intern, wel vaker haar achilleshiel gebleken.

De klassieke rol van burgemeester is sowieso interessant in dit tijdsgewricht: in weinig banen kunnen bestuurders nog zoveel matigheid en depolarisatie organiseren.

Voor pure partijpolitici is dit laatste natuurlijk geen optie. In dat opzicht runt Baudet het opmerkelijkste politieke project van deze tijd.

Aan de ene kant zijn z’n optredens in Kamerdebatten nogal zwak: naast de verbaal superieure en procedureel foutloze Wilders is hij een dartel veulentje – je weet nooit waar hij heen wil, en je ziet dat hij het zelf ook niet weet.

Maar zijn buitenparlementaire opereren is onconventioneel. Zoals de Canadese hoogleraar psychologie Jordan Peterson wereldwijd een sluimerend antifeminisme onder jonge mannen aanspreekt, zo agendeert Baudet nu vermeende linkse vooringenomenheid van docenten.

Op een recent bezoek aan een scholengemeenschap in Groenlo noemde hij het publiek in de aula „grotendeels links’’, wat hij claimde te zien aan gezichten en kleding. Zijn partij kreeg kritiek wegens een poster van Jong FvD met een stenen gooiende student en de tekst: „Kom in verzet tegen je docenten.”

En maandag vertelde Baudet in Drachten dat zijn partij schoolboeken gaat „beoordelen op vooringenomenheid”.

Niet dat er veel reden is voor de aanname van linkse indoctrinatie via het onderwijs: na de oorlog koos dit land éénmaal een linkse meerderheid in de Kamer – in 1971 (en dan moest je DS70 meerekenen).

Daarna zette de krimp in, vorig jaar zakten de verzamelde linkse partijen onder de dertig procent van de stemmen. En het Nationaal Kiezersonderzoek constateerde dit jaar dat „jongeren belangrijk bijdroegen aan de opkomst van Forum voor Democratie”.

Dus het is met die indoctrinatie als met dat cultuurmarxisme: zelfs áls het bestaat, heeft het niets teweeggebracht.

Evengoed biedt het thema – net als dat antifeminisme – een gevaarlijk effectief alibi om het onderwijs in de polarisatie te betrekken, zodat Baudet nóg een groep kan aanwijzen die de ondergang van het land op zijn geweten heeft.

Honger naar nieuwe vijanden in een ander kamp: de markt voor het tribalisme is nog lang niet verzadigd.

Donderdag aan het einde van de middag liep ik in de wandelgangen een Kamerlid van een regeringspartij tegen het lijf. Het Kamerlid was een beetje moe.

Tussen de bedrijven door had het Kamerlid deze week negen keer coalitie-overleg gehad. Vorige week: vijftien keer.

Het illustreert hoe moeilijk regeren met vier partijen is, hoe ingewikkeld politieke samenwerking is geworden: hoe lastig matigheid nog te organiseren is.

En hoe mooi dat is: mensen van zeer uiteenlopende afkomst die zich helemaal uit de naad werken om met anderen iets te bereiken. Beschaving.

Het lijkt me ook het enige effectieve antwoord van de traditionele politiek op het oprukkende tribalisme. Voorwaarde is dan wel dat die partijen ook laten zien hoe ontstellend veel tijd en energie ze in elkaar stoppen om iets van het regeren te maken.

Vandaar ook dat de presentatie van die Klimaatwet me zo’n ontstellende vergissing leek.

Want als samenwerkende politici zelfs niet meer durven laten zien wat ze hebben gedaan, durven ze in feite niet meer laten zien wie ze zijn.

Dan trekken ze zich, uit gêne voor de werkelijkheid, terug in een Ster-reclamevariant van zichzelf: mooi in beeld, maximaal onoprecht, optimaal irritant.

Multifocáááále bril.

    • Tom-Jan Meeus