Europees Hof versoepelt geheimhoudingsplicht

Deze rubriek belicht iedere week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze keer Europees recht: beroepsgeheim en postmarkt.

Niet alle informatie van beleggingsfirma’s waarover Europese toezichthouders beschikken, is noodzakelijkerwijs vertrouwelijk. Dat heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie vorige week bepaald in een zaak die door de Duitse belegger Ewald Baumeister is aangespannen tegen de BaFIN, de Duitse evenknie van de AFM in Nederland. Het Hof versterkt met de uitspraak de informatiepositie van beleggers.

Baumeister is een van de 30.000 beleggers die rond de eeuwwisseling tezamen 674 miljoen euro toevertrouwden aan Phoenix Kapitaaldienst in Frankfurt. In 2005 bleek dit een frauduleuze piramideconstructie en werd de firma ontmanteld. Dankzij tussenkomst van de Duitse minister van Financiën kregen gedupeerden 259 miljoen euro terug. Baumeister eiste inzage in stukken van BaFIN over Phoenix (over keuring, boekhoudcontroles en correspondentie), maar kreeg die niet. BaFIN beriep zich op beroepsgeheim. De Duitse rechter vroeg het Europees Hof aan te geven hoe strikt die geheimhouding valt uit te leggen.

Het Hof stelt dat noch uit de context, noch uit het doel van de Europese wet over het nationale toezicht op financiële diensten kan worden afgeleid, dat alle informatie die aan BaFIN is verstrekt per definitie vertrouwelijk is. Bij geschillen moet de nationale rechter beoordelen welke gegevens beroepsgeheim zijn en welke niet. Openbaarmaking mag geen afbreuk doen aan de belangen van de verstrekker en van derden of aan de goede werking van het toezicht. Voor informatie ouder dan vijf jaar draait het Hof de bewijslast om. Die gegevens hoeven in beginsel niet langer geheim te zijn, tenzij overtuigend wordt aangetoond dat openbaarmaking wezenlijke belangen schaadt. Bij onenigheid moet de nationale rechter dan weer beslissen.

www.curia.europa.eu ECLI:EU:C:2018:464
    • Joop Meijnen