Opinie

De meeste migranten komen werken

Laat het ‘gastarbeiderstrauma’ niet bepalen hoe wij de huidige migratiekwestie moeten benaderen, schrijft .

Italiaanse gastarbeider laat zijn gezin naar Nederland overkomen, Centraal Station in Amsterdam, 1961. Foto Hollandse Hoogte

Afgelopen donderdagnacht bereikten Europese leiders met veel moeite een voorlopige overeenstemming over hoe de ‘migratiecrisis’ op te lossen. De belangrijkste uitkomst lijkt te zijn dat asielzoekers en andere migranten uit Afrika, die hun leven wagen op de Middellandse Zee, zoveel mogelijk tegengehouden moeten worden. De enige concessie aan het humanitaire kamp (vooral vertegenwoordigd door Merkel) is dat er wellicht ‘gesloten centra’ komen in Europa, waar asielzoekers hun verzoek in kunnen dienen. Nog afgezien van de vraag hoe de plannen in de praktijk gaan functioneren, is het echter zeer twijfelachtig of Zuid-Europese landen zich vrijwillig zullen melden om zo’n Europees azc te huisvesten, en verder of andere lidstaten vervolgens bereid zullen zijn om erkende vluchtelingen op te nemen.

Deze uitkomst en de angst dat migratie de Europese Unie zal splijten tekent de huidige paniek over migratie in Europa. Die paniek, en afkeer, beperkt zich niet tot asielzoekers uit Afrika en het Midden-Oosten. Zij strekt zich ook uit tot de integratie van nieuwkomers. Of het nu over Algerijnse Fransen, Turkse Duitsers of Marokkaanse Nederlanders gaat, het beeld over migranten en hun nakomelingen en de toon waarop er over hen wordt gesproken is onverminderd negatief, zo niet apocalyptisch.

Het is tegen deze achtergrond dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) Paul Scheffer en mij, onafhankelijk van elkaar, vroeg een toekomstverkenning te schrijven over het Nederlandse migratiebeleid. Waar Paul Scheffer zich richt op een aantal demografische toekomstscenario’s, constateer ik dat het debat over migratie zich in de afgelopen decennia enorm heeft vernauwd tot die nieuwkomers die – terecht of onterecht – als een probleem worden beschouwd, economisch dan wel cultureel. En die bewustzijnsvernauwing helpt ons niet om op een nuchterder manier over dit fenomeen na te denken.

De toon waarop er over hen wordt gesproken is onverminderd negatief, zo niet apocalyptisch

Kijken we naar de functie van migratie, en dan bedoel ik ook die van hoog- en middelbaar opgeleiden, alsmede van Nederlanders die zelf voortdurend in- en uitvliegen, dan blijkt die al eeuwenlang een wezenskenmerk van de Nederlandse open economie en samenleving. Juist door de lange termijn in ogenschouw te nemen, valt het ook op dat die voornamelijk arbeidsmarkt gestuurde demografische dynamiek na de Tweede Wereldoorlog op drie punten sterk is veranderd.

Ongelukkig getimede massamigratie

Om te beginnen door de dekolonisatie van Nederlands-Indië en later Suriname, waardoor er zich honderdduizenden nieuwkomers in Nederland vestigden. Soms op een (achteraf gezien) gunstig economisch moment (de ‘repatrianten’), soms tijdens een recessie (Surinamers). Een tweede onverwachte immigratie was die van de gezinnen van Turkse en Marokkaanse gastarbeiders, net toen de langdurige recessie van de jaren zeventig zich aankondigde. Deze ongelukkig getimede massamigratie was een onbedoeld gevolg van de verzorgingsstaat waarin de gastarbeiders ook rechten hadden opgebouwd. En dus leidde het stoppen van de werving en het restrictievere vreemdelingenbeleid midden jaren zeventig juist tot versnelde gezinshereniging op een moment waarop veel gastarbeiders hun baan verloren, met allerlei sociale en culturele problemen van dien. De derde factor die het arbeidsmarktprincipe doorkruiste was de mondiale humanitaire wende, met het Vluchtelingenverdrag van 1951 (en de mondiale uitbreiding in 1967) als kern.

Lees ook het essay van Paul Scheffer: Neem de regie over migratie

In de 21ste eeuw hebben die drie factoren sterk aan betekenis ingeboet. De dekolonisatie was eenmalig en is inmiddels zo goed als afgerond, terwijl na het ‘gastarbeiderstrauma’ de verzorgingsstaat veel minder toegankelijk is gemaakt voor migranten (en ook voor Nederlanders overigens). Als gevolg daarvan wordt de interne Europese migratie, zowel uit Oost- als West-Europa, hoofdzakelijk bepaald door de vraag naar arbeid in Nederland. Dat geldt ook voor migranten uit andere continenten, die alleen een visum krijgen als er hier tekorten zijn. En wat die humanitaire wende betreft, kunnen we vaststellen dat die met de recente uitbesteding van het asielbeleid, met als principe dat vluchtelingen het territorium van de EU niet meer kunnen bereiken, een zachte dood lijkt te sterven.

De vraag naar arbeid als ‘grondoorzaak’

Hoe we over dat laatste ook mogen denken – en als burger vind ik dat een even treurige als aanvechtbare koerswending – daarmee is het primaat van de arbeidsmarkt weer helemaal terug van weggeweest: verreweg de meeste migranten (en nogmaals: inclusief Nederlanders) reageren op de vraag naar arbeid. Want dat is de echte ‘grondoorzaak’ van migratie. En daar heeft Nederland al eeuwen economisch, maar ook cultureel, veel profijt van. In de politiek en de media wordt echter nog steeds de vorige oorlog uitgevochten en wordt het debat gegijzeld door het ‘gastarbeiderstrauma’, nog versterkt door de angst voor terrorisme en toenemende islamofobie.

Ongemerkt zijn we echter in een nieuwe fase beland, waarbij het komen en gaan van mensen weer grotendeels afhankelijk is van de economische ontwikkelingen in Nederland. Nadenken over de wenselijkheid van migratie, zoals bepleit door Scheffer, is niet onzinnig, maar dient wel rekening te houden met het feit dat de meeste migranten (EU-burgers) sinds begin deze eeuw vrij toegang hebben tot de arbeidsmarkt en anderen (van buiten de EU) gecontroleerd worden toegelaten via het visumsysteem.

Tot slot beperkt wenselijkheid zich niet tot de economie. Het gaat ook om humanitaire grondbeginselen, waarvoor Nederland en de Europese Unie zich graag op de borst kloppen. De voorlopige uitkomst uit de migratietop van afgelopen donderdag wijst erop dat deze principes, die het fundament vormen van de naoorlogse humanitaire wende, zwaar onder vuur liggen.