Recensie

Welke vorm krijgt die nieuwe wereldorde dan?

Jeugdroman Dirk Weber lijkt zich elk boek opnieuw te willen uitvinden: nu als schrijver van een dystopie. Het vluchtverhaal is spannend, maar het scifi-genre heeft Weber niet echt in de vingers.

Dirk Weber is een opvallend schrijver. Niet alleen omdat drie van zijn vier boeken met verschillende prijzen zijn bekroond – het bewijs van Webers schrijfkwaliteiten – maar vooral omdat hij zichzelf bij elk nieuw verhaal opnieuw lijkt te willen uitvinden. Zijn debuut Kies mij (2005) en opvolger Duivendrop (2008) zijn het best te karakteriseren als lichtvoetige huis-tuin-en-keuken-verhalen die draaien om het vrijheidsverlangen van de hoofdpersonages. Met Hij of ik (2010) schreef Weber een mysterieuze jeugdthriller. Terwijl De goochelaar, de geit en ik (2014) een historisch smokkelavontuur vertelt.

Nieuwe wereldorde

Nu is er Naar de rand van de wereld, een soms spannend vluchtverhaal waarin Weber het dystopische genre voor kinderen verkent. Lovenswaardig, al gaat het bedenken van een nieuwe wereldorde Weber niet helemaal goed af. Dat de moderne wereld door ziekte, honger en oorlog ineen is gestort (‘de Crisis’), ja, dat is niet moeilijk te geloven. Maar de rurale samenleving die daarvoor in de plaats is gekomen en die rust op het uitdagende idee dat onnodige kennis verboden is omdat die tot ongelijkheid leidt, ontbeert context om te overtuigen. De voor iedereen geldende zes ‘Afspraken’ zijn het enige houvast dat Weber biedt. Maar hoe werkt het nieuwe regime? Wie bepaalt wat wel of niet zinvol is om te weten? Hoe worden kinderen voorbereid op de toekomst? En waar begint en eindigt hun onwetendheid? Boeken hebben ze nog nooit gezien. Tegelijkertijd weten ze wel dat ‘een boek heel erg verboden is’.

Dat gebrek aan samenhang in ‘de nieuwe orde’ blijft knagen, waardoor het eerste deel van het verhaal nogal hapert. Pas op een derde komt de vaart erin, wanneer twee dorpelingen voor het delen van verboden kennis worden veroordeeld tot de gifbeker, en vijf kinderen besluiten te vluchten, allemaal om een andere, niet altijd even eerzame reden.

Verworven vrijheden

In levendige, goedlopende dialogen met ernstige ondertoon zet Weber de kinderen levensecht neer. Vooral Abe, plichtsbewust en onzeker over het vluchtplan, is psychologisch sterk uitgewerkt. Mooi is het moment waarop Weber de verandering in Abe ten aanzien van zijn reisgenoten beschrijft. In het dorp waren ze een los-vaste groep. Maar hun overlevingstocht naar Vrijburg ‘waar alle kennis van de wereld samenkomt’, geeft Abe het gevoel dat ‘hij iets teruggevonden heeft waarvan hij niet wist dat hij het kwijt was’. Niet dat alles pais en vree is. Er is honger en het onderlinge wantrouwen neemt toe. Is er een verrader? En zo ja, wie?

Weber geeft blijk van goed inzicht in groepsdynamiek. De vlucht van het vijftal vormt daardoor het sterkste deel van Naar de rand van de wereld. Het moment dat het einde nadert en de kinderen geconfronteerd worden met de op onze samenleving gelijkende wereld van Vrijburg, zakt het verhaal alsnog in elkaar. Net zoals geldt voor de nieuwe (wereld)orde, neemt Weber ook voor Vrijburg onvoldoende tijd deze vorm te geven. Webers poging de paradox van onze verworven vrijheden te duiden mislukt dan ook helaas.

De dit jaar overleden fantasy- en sciencefiction-auteur Ursula K. Le Guin zei het ooit al: ‘onzorgvuldig geschreven fantasy waarin de feiten en de daaruit voortkomende beeldspraak niet tot in detail kloppen, is ongeloofwaardig’. Voor een volgend boek doet Weber er verstandig aan gewoon in onze wereld te blijven: hij schrijft er goed genoeg voor.

    • Mirjam Noorduijn