Recensie

Weg met die ambtelijke ‘nieuwspraak’

Maarten Asscher De bundel Toch zit het anders biedt een staalkaart van Maarten Asschers essayistisch kunnen. Hij schrijft over engagement in de letteren, bureaucratie en ‘nieuwspraak’ en betoont zich pleitbezorger van eruditie.

Essayisten heb je in soorten en maten. Sommigen associeer je direct met het geschreven woord, zoals Bas Heijne in NRC of ‘good old’ Carel Peeters in Vrij Nederland. Anderen zijn vooral door hun maatschappelijke activiteiten bekend en breng je pas in tweede instantie in verband met hun essayistiek, zoals de Arabist en diplomaat Marcel Kurpershoek.

Maarten Asscher is ook zo iemand. Hij is maatschappelijk zo actief dat je je verbaast dat hij nog aan publiceren toekomt. Ga maar na: hij is van huis uit jurist en werkte achtereenvolgens als literair uitgever, als topambtenaar bij het ministerie van Onderwijs en hij was laatstelijk directeur van Athenaeum Boekhandel in Amsterdam.

Dat doet aan zijn essaybundel Toch zit het anders niets af. De essays bevatten een staalkaart van zijn kunnen: het zijn lezingen en artikelen die hij de afgelopen twintig jaar uitsprak en publiceerde.

De titel van de bundel en het gelijknamige titelessay (‘Toch zit het anders’) drukt het waarmerk van Asscher uit: hij wil door net anders te kijken naar leven en literatuur achter een waarheid – of zoals hij voorzichtig formuleert – achter een ‘zekere inzichtelijkheid’ komen die niet eerder is opgemerkt. Zo pakt hij de befaamde discussie op over ‘straatrumoer’ in de Nederlandse literatuur, die eerder in 1981 door hoogleraar Ton Anbeek was gestart en die later door diens collega Thomas Vaessens werd opgepakt. Asscher laat zien welke karikaturale gevolgen die oproep in Nederland heeft gehad: in 2006 schreef toenmalig premier Balkenende Harry Mulisch een open brief waarin hij de schrijver opriep bij te dragen aan de vorming van een Europese identiteit.

Asscher oordeelt dat een schrijver helemaal geen expliciete politieke standpunten hoeft in te nemen om toch geëngageerd te zijn. Hij voert Franz Kafka op als klassiek voorbeeld om zijn stelling te illustreren: die stuurde nooit een ingezonden brief, was nergens lid van en had van ‘straatrumoer’ nooit gehoord, maar zijn werk valt niettemin te lezen als geëngageerde kritiek op een onpersoonlijke, bureaucratische wereld.

Die onpersoonlijke, bureaucratische wereld is een steen des aanstoots voor Asscher, die zich in verschillende opstellen ergert aan de ambtelijke, orwelliaanse ‘nieuwspraak’ die door veel gezagsdragers wordt gebezigd en de burger met een kluitje in het riet stuurt. Meer nog: hij ergert zich aan het gebrek aan eruditie van de politici die ons leiden. Asscher toont zich een warm pleitbezorger van het tegenwoordig veel gesmade begrip elite en betreurt dat iemand als Mark Rutte in zijn toespraken nooit verwijst naar klassieken in literatuur, geschiedenis en filosofie.

Geen wonder dat het oorlogsdagboek van André François Poncet een van zijn favoriete boeken is. Deze Franse ambassadeur diende zijn land tussen 1931 en 1938 in nazi-Duitsland en vanaf dat jaar in fascistisch Italië. Hij zat tijdens de oorlog gevangen en hield in zijn ‘luxegevangenis’ een dagboek bij. Hier komt alles samen dat het program van Maarten Asscher zou kunnen worden genoemd: Poncet toonde zich een even fijnzinnig als scherpzinnig commentator van zijn tijd en gaf blijk van een eruditie waarnaar Asscher heimwee lijkt te hebben. Zijn bundel heet Toch zit het anders maar had even goed ‘Toen was het anders’ kunnen heten.

    • Wim Berkelaar