Foto Frank Ruiter

‘Een tekening is nooit fout en hoeft al helemaal niet te lijken’

Lunchinterview Siegfried Woldhek (67) weet hoe je het plezier in tekenen kapotmaakt. „We leren het onze kinderen áf.” Hij laat mensen er de lol (weer) van vinden. „Een tekening is nooit fout.”

Siegfried Woldhek (67) woont in een verbouwde boerderij in Giethoorn en hij wenst zich geen betere plek om te lunchen dan zijn achtertuin, waar we „de rust en de ruimte” hebben. Zeg dat wel. Bomen en blauwe lucht zover je kunt kijken, uitzicht op een ooievaarsnest dat hij zelf in het weiland neerzette. Elk voorjaar bivakkeert hetzelfde ouderpaar bovenop de houten paal. Via de telescoop aan de rand van het terras kijk je zo in hun huiselijke kring: twee rafelige jongen, een vader en een moeder die gehaast af en aan vliegen en vijandig klepperen tegen andere, te laag overvliegende ooievaars.

Siegfried Woldhek pakt twee boeken van de leestafel binnenshuis en legt die, keurig naast elkaar, op de koffietafel buiten. „Een kunstboek en een doeboek”. Ziezo is het dikst. Een overzichtswerk van 350 door hem getekende en geschilderde portretten. Schrijvers, sporters, politici. Al veertig jaar tekent hij hun koppen, hun tronies, hun smoelen. Voor NRC portretteert hij wekelijks de man of vrouw in het nieuws van dat moment. Voor Vrij Nederland en sinds een jaar ook voor The New York Review of Books maakt hij schrijversportretten. Het tweede boek op tafel is Lekker tekenen, een boekje voor iedereen die (weer) wil tekenen.

Siegfried Woldhek zet koffie, koffiemelk en een schaaltje koekjes neer en gaat er dan voor zitten. Tekenen is het onderwerp, daar gaan we het over hebben. Alleen, hoe lang kun je verbergen dat je niet tekenen kúnt, dat je er niks aan vindt en al helemaal niet ‘lekker’? Niet zo heel lang. Woldhek hoort de biecht aan, knikt begripvol én geeft direct drie mogelijke oorzaken van het probleem. Tekenen lukt niet als: het materiaal niet bij je past (1), je de technische vaardigheden denkt te ontberen (2), je geen idee hebt wat je wilt maken (3). Hij, beroepsamateur zonder tekenopleiding, kent alle stadia van tegenzin en wanhoop, maar ook de manier om het plezier te hervinden in iets wat volgens hem „oermenselijk” is.

Zet een mens op het strand, zegt hij, en geef hem een stokje. Of zet hem in een grot met een scherp steentje. Hij zal tekenen in het zand. Kerven op de rotswand. „Tekenen is een verhalende activiteit.” Zoals kunstenaar David Hockney schreef in A history of pictures: een tekening is een verslag van iemand die iets heeft gezien. „Geef kleine kinderen een krijtje of een viltstift en ze zijn niet te houden. Iedereen kan het en iedereen doet het.” Maar zeg tegen een kind: jouw boom/huis/hoofd lijkt niet, gaat het mis. „We leren kinderen het tekenen áf.” Zodra een tekening perfect moet worden, is de lol er van af. „Wat je dan krijgt is tekenangst. Ik heb dat met schrijven. Precies de goede woorden vinden voor een condoleancebrief. Verschrikkelijk.”

„Hé.” Zijn ogen turen in de lucht. Ik zie een stipje, hij een purperreiger. Hij komt weer ter zake. „De tekenaar is bevrijd van de noodzaak tot lijkende tekeningen sinds de komst van de fotografie.” Zijn stelling: een tekening is nooit fout en hoeft al helemaal niet te lijken. Neem een willekeurig portret dat hij maakte, dat van oud-staatssecretaris van Landbouw Henk Bleker (CDA) waarmee hij in 2011 de Inktspotprijs won voor beste politieke prent. Bleker staat op omgeploegde aarde en trapt met zijn klomp het laatste bloemetje dood. Kloppen de verhoudingen? Welnee. De bewindsman heeft het postuur van een kleuter. Is het perspectief correct toegepast, zijn de anatomische details in orde? Absoluut niet, er klopt niks van. Maar toch is de gelijkenis treffend. Houding, gezichtsuitdrukking, oogopslag. Dit is Henk Bleker. En de kijker weet óók meteen wat deze bewindspersoon drijft. Sluwheid, onverzettelijkheid, machtsbelustheid. Dit is geen gelijkend portret, dit is een typering. Geen karikatuur, maar een karakterisering.

Teken wat je ziet, niet wat je weet

En weer vliegt er iets over. „Visdiefjes.” Siegfried Woldhek is bioloog. Na zijn studie werkte hij bij de Vogelbescherming, eerst als onderzoeker, daarna als directeur. Daarna werd hij directeur van het Wereld Natuur Fonds. Zijn tekenwerk deed hij er al die jaren bij. Pas toen hij zestig werd, in 2011, besloot hij zich hele dagen op het tekenen te richten. Hij maakt nu ook ‘vrij werk’. Hij schilderde zijn grootouders van vaderskant. Straatarme turfstekers uit de buurt van Emmen. En ook de grootouders van moederskant, uit Stadskanaal. Joden, die op hun vlucht voor de Duitse bezetter werden vermoord nog voor ze hun onderduikadres hadden bereikt. Hij schilderde zijn ouders, in 1956. Zijn vader begon als kappersknecht, runde een galanteriewinkel (een soort Blokker) en begon daarna een recreatiepark. Hij spitst zijn oren nu. „Hoor dat leuke liedje van de boomkruiper.” Ik denk het vogeltje te zien op het rieten dak. Nee, schudt hij. „Dat is een boomklever. Apart. Die zien we hier niet veel.”

Lees ook: de column van Rosanne Hertzberger, die als kind niet tekenen kon en al helemaal niet binnen de lijntjes

We kijken met onze hersenen, zegt hij. Niet met onze ogen. Met enige regelmaat ontvangt hij groepjes cursisten aan huis. „Altijd een man of tien, en altijd een mix van man-vrouw, jong-oud, amateur-professional. En allemaal gaan ze na afloop zingend naar huis. Zoveel plezier geeft tekenen.” Hij geeft ze, om te beginnen, een portretfoto en laat hen die natekenen. „Amandelvormige ogen, ronde iris erin, twee gaatjes als neus. Sjablonen. Zo ziet een gezicht eruit in je hoofd. Je bent gewend te kijken door de lens van je kennis. Ik zeg altijd: de kunst is om te tekenen wat je ziet, niet wat je wéét.” Dat is moeilijk, zegt hij. „Zelfs voor Rembrandt. De tekening die hij maakte van de eerste olifant die hij zag, is briljant. Maar van die olifant klopt niks. Je kunt ook zeggen: knullig.”

Iemand weet niet wat hij ziet

Zelf bekijkt Woldhek de wereld die hij tekent in drie kleuren: zwart, wit, grijs. „Mensen zijn goed in het interpreteren van patronen. Details zijn helemaal niet nodig. We nemen donker en licht waar, en onze hersenen vullen maar al te graag aan wat we zien. We herkennen in een paar potloodstrepen een gezicht, een boom, een huis.” Hij heeft aan een flintertje informatie genoeg om te weten welke vogel er overvliegt. „Onwaarschijnlijk waartoe de hersenen in staat zijn. Wat je ziet, combineer je razendsnel met de plek, de tijd van het jaar, de omgeving, het geluid en, plop, je weet wat het is.”

„Er wordt vaak gezegd: één beeld zegt meer dan duizend woorden.” Daar is hij het dus niet mee eens. „Negenhonderd van die woorden worden ingevuld door de kijker.” Een tekening is een soort rorschachtest, een inktvlek waarin iedereen wat anders herkent. „Op mijn kamer bij het Wereld Natuur Fonds had ik een grote glazen doos staan, met daarin een houten beeld van een vogel zonder kop. Steevast was de vraag bij binnenkomst: wat is dat? Dat ging zo in alle talen.” En wat was het? „Ik had een serie antwoorden klaar. Het is kunst, een vogel zonder kop, een beeld gemaakt door een leerling van de ambachtsschool. Allemaal waar. En het opmerkelijke was dat het antwoord er niet toe deed. Waar het om ging is: iemand weet niet wat hij ziet. Dat zorgt voor twijfel. Elk antwoord dat ik gaf, bedekte het ongemak. Daarna kon iedereen weer verder.” Zelden gebruikt hij daarom tekst bij een tekening. „Als je meteen de vraag beantwoordt die de tekening oproept, haal je de spanning weg.” Een geslaagde tekening „raakt iets aan én laat open. Ik ben tevreden als een portret ergens tussen gelijkenis en vraag in zit.”

Lees ook: hoe dit dochtertje haar moeder natekent

Hij slaat zijn handen op zijn knieën. „Gaan we nou eens eten…” De eettafel is gedekt, twee wijnglazen en twee borden naast elkaar, met uitzicht op familie ooievaar. Zelfgemaakte soep. En, kondigt hij vast aan, zelfgemaakte cheesecake voor toe. Niet door hem, maar door echtgenote Katja zelfgemaakt. „Koken lukt me alleen met een recept.” Met waterverf kan hij improviseren, met ingrediënten niet. Een kwastje, een stukje fijn papier, een palletje verf. Meer heeft hij niet nodig. Aha, zoiets zei hij toch net ook al? Al of niet kunnen tekenen ligt aan het materiaal (1), de vaardigheden (2), het idee (3).

Gummen, overtrekken, wrijven, scheuren

Over het materiaal kan hij kort zijn. Probeer alles uit. „Voor de prijs van een tank benzine koop je voor maanden teken- en schildermateriaal. Teken hetzelfde onderwerp met steeds ander materiaal en je zult zien dat het resultaat verschilt én het gevoel erbij ook.” Dan de vaardigheden. Zelf heeft hij eindeloos de techniek van grote kunstenaars bekeken én nagedaan. Peter Vos, Alberto Giacometti, Holbein. Hij gaat voor naar zijn werkkamer, aan de muur hangen resultaten van die oefeningen. Abstract, zeventiende-eeuws, modern. Als kopiïst had hij vast een fortuin kunnen vergaren. „Wat ik ervan geleerd heb is: alles mag. Gommen, overtrekken, wrijven, scheuren. We bladeren gezamenlijk door zijn overzichtswerk. Vogels, mensen, varkens. Steeds anders getekend en geschilderd. Materiaal en vaardigheden kunnen we afvinken. Blijft over: het idee (3). „Laat mijn werk je wereldbeeld kantelen? Zet het aan tot denken?” Dat is, vindt hij, aan de kijker om te bepalen. We blijven even hangen bij de pagina’s met joggende senioren. Ze zijn in volle vaart, naakt, hun vel wappert om hun botten. Hier zit vast een idee achter? „Eeuwig fit willen blijven…”, zegt Woldhek. „Daar vind ik wel iets van, ja.” Wat, dat mag iedereen verder zelf invullen.

    • Rinskje Koelewijn