Opinie

Steun voor de media is welkom, maar verplicht wel tot daden

Geen democratische rechtsstaat zonder vrije pers – de brandaanslag deze week op de redactie van De Telegraaf, nog niet zo lang na een schot met een raketwerper op de Panorama-burelen, drukte iedereen met de neus op de feiten. Het gezag reageerde adequaat. Nieuwsorganisaties worden aanvullend beveiligd, met camera’s en surveillance tegen dreiging die vermoedelijk uit het criminele milieu komt. De premier hekelde de ‘aanval op de vrije pers’, immers een ‘pijler onder de democratie’. Minister Ferdinand Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) vindt het ‘onacceptabel’ en kondigt snel overleg met de branche aan over ‘betere beveiliging’.

Daarmee zijn de vertrouwde reflexen na een schok – bevestiging, steun en erkenning – op tijd getoond. Dat is altijd beter dan schouders ophalen en overgaan tot de orde van de dag. Wat elders op de wereld best had gekund, gezien het toenemende vijandige klimaat tegen de vrije pers, door de Amerikaanse president Trump ritueel ‘oneerlijk’, ‘falend’ of gewoon ‘walgelijk’ genoemd. De Duitse oppositiepartij AfD mag ook al jaren graag van ‘Lügenpresse’ spreken. In Nederland is vooralsnog alleen de politieke splinterpartij Denk consequent persvijandig, onder meer door media te weren bij partijbijeenkomsten en hen consequent als ‘bevooroordeeld’ af te schilderen. Dat alles delegitimeert journalistieke arbeid en verlaagt voor het internetpubliek de drempel om te schelden en te dreigen.

Er is dus reden tot zorg over de persvrijheid in Nederland, die nu nogal makkelijk als vanzelfsprekend wordt gevierd. De recente aanslagen zijn ook geen nieuwe poging tot intimidatie van misdaadverslaggeving; het afgelopen jaar moesten twee misdaadverslaggevers onderduiken of zich onder persoonlijke beveiliging plaatsen. De georganiseerde criminaliteit verhardt, ondermijnt en lijkt nu ook media te lijf te gaan. Dat mogen politie en OM zich aantrekken bij het bepalen van opsporingsprioriteiten. En rechters bij de strafmaat. Dit vreet aan de democratische structuren. ‘Pijler van de democratie’ – het klinkt mooi, maar zo’n voetstuk moet wel verdedigd worden. En dan liefst zonder van de weeromstuit in een registratie of erkenning van journalisten te verzeilen. Voor je het weet ontstaat er onderscheid tussen wie wel en geen beroep op ‘extra’ bescherming mag doen.

De nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten maakt het intussen door de ruime bevoegdheid om data af te mogen tappen voor journalisten zeer moeilijk om de anonimiteit van hun bronnen te garanderen. Dat is een hoeksteen van de vrije pers: een veilige haven voor klokkenluiders die intern hun verhaal niet kwijt kunnen. Nota bene het Openbaar Ministerie is nu tot zelfonderzoek gedwongen nadat details uitlekten over niet-integer handelen in de top. Tegelijk zette het OM in de afgelopen periode journalisten onder zware druk, met dwangmiddelen die het dan achteraf betreurde of fout vond. Maar die wel werden gebruikt.

In Brabant werden na een simpel informatielek uit het stadhuis de belgegevens van een journalist opgevraagd en een afluisterpoging gedaan. In Limburg werd een fotograaf gearresteerd die een eenvoudige ruzie vastlegde. Zijn beelden werden gekopieerd. Steeds was er onvoldoende besef van de waarde van vrije nieuwsgaring en de plicht daar alleen in alleruiterste noodzaak een inbreuk op te maken. Dat brandbommen of bazooka’s onwenselijk zijn, begrijpt iedereen – maar dat is niet het hele verhaal. Persvrijheid is ook een mentaliteit.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.